Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1028.
14. Het voorgaande roept vervolgens de vraag op of de bedoelde uitbreiding van de motiveringsplicht zich ook uitstrekt tot gevallen waarin de verdachte zelf wel ter terechtzitting is verschenen maar de raadsman wegens verhindering niet. Dit punt is een keer eerder maar slechts zijdelings aan de orde gekomen in een conclusie van de toenmalige A-G Silvis die vooraf ging aan het ongepubliceerde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5484. Het proces-verbaal van de terechtzitting hield niet in dat de raadsman een aanhoudingsverzoek had gedaan of een verzoek om de zitting naar een ander tijdstip op dezelfde dag te verplaatsen. Wel had de griffier enkele weken voor de terechtzitting van het hof de raadsman per e-mail bericht dat op de dag van het onderzoek ter terechtzitting geen ander tijdstip voor de behandeling van de zaak beschikbaar was en had de raadsman een dag voor de terechtzitting telefonisch laten weten wegens verhindering niet te zullen verschijnen en per fax alsnog nadere onderzoekwensen aan het hof te doen toekomen. De verdachte was op de terechtzitting aanwezig, maar had toen, ook na telefonisch overleg met zijn raadsman, niets aangevoerd waaruit het hof had moeten afleiden dat door de raadsman was verzocht om aanhouding van de behandeling dan wel om verplaatsing van het tijdstip. In cassatie klaagde het middel met verwijzing naar art. 278, derde lid, Sv en het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2005 dat het hof op het aanhoudingsverzoek van de raadsman ten onrechte niet had beslist. De conclusie van de A-G luidde dat onder de genoemde omstandigheden het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk daaromtrent geen beslissing had genomen. Interessant is echter dat de A-G daaraan nog toevoegde dat “de verwijzing naar art. 278, derde lid, Sv of HR 11 oktober 2005, LJN AT5663, NJ 2007/454 relevantie mist omdat de verdachte in de onderhavige zaak wel aanwezig is.” Hoe de Hoge Raad over deze toevoeging dacht, is onbekend gebleven nu hij het middel (evenals de andere) met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering afdeed.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22, en de alinea staat in dat document op bytes 18082 tot 20291.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22 | shasum -a 256