Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1028.
15. Uit de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld het arrest van 11 oktober 2005) leid ik echter niet af dat hij de uitbreiding van de actieradius van art. 278, derde lid, Sv met een voorafgaand verzoek tot uitstel door de raadsman afhankelijk heeft willen maken van de aan het aanwezigheidsrecht rakende vraag of de verdachte zelf evenmin in staat was om ter terechtzitting te verschijnen. De Hoge Raad heeft meermalen geoordeeld over een afwijzende motivering zonder dat daarbij op die kwestie werd ingegaan. Leidend was het gegeven dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting aanwezig had willen zijn om de verdachte van rechtsbijstand te voorzien. Zo had de advocaat van de verdachte in HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m. nt. Schalken herhaaldelijk om aanhouding verzocht omdat een korte vakantie aan zijn aanwezigheid in de weg stond en de verdachte door hem wilde worden bijgestaan. Het verzoek was door het hof afgewezen, maar volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd omdat in het verzoek tot uitdrukking was gebracht dat de verdachte zich overeenkomstig zijn in art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM toegekende recht wilde doen bijstaan door de advocaat van zijn keuze en dat was de verhinderde raadsman. De vraag of de verdachte zelf had kunnen verschijnen en zo zijn aanwezigheidsrecht had kunnen uitoefenen, bleef buiten bespreking. En in dezelfde zin HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6570. Zowel de verdachte als zijn raadsvrouw was niet op de terechtzitting van het hof verschenen. De raadsvrouw had herhaaldelijk verzocht om aanhouding van behandeling van de zaak vanwege redenen die in haar persoonlijke levenssfeer waren verschenen en omdat haar kantoorgenoot wegens andere werkzaamheden niet in de mogelijkheid verkeerde de zaak van haar over te nemen. Mijn ambtgenoot Knigge wierp eerst de vraag op of het hof gelet op de hoofdregel en de wettelijke en jurisprudentiële uitzondering (als hierboven in de randnummers 12 en 13 genoemd) was gehouden op het aanhoudingsverzoek te reageren. Hij kwam tot een bevestigend antwoord, nu de meest voor de hand liggende conclusie die uit HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453 kan worden getrokken “is dat de analoge toepassing van art. 278 lid 3 Sv zich niet beperkt tot gevallen waarin het aanhoudingsverzoek wordt gedaan door een raadsman die verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn en tevens dat het verzoek ook een gemotiveerde weerlegging vereist als het zijn grond niet vindt in het aanwezigheidsrecht van de verdachte, maar in diens recht op rechtsbijstand”. Van de juistheid van deze conclusie ga ik uit, nu de Hoge Raad op grond van een motiveringsgebrek casseerde en daarbij in aanmerking nam hetgeen de raadsvrouw (herhaaldelijk) aan haar verzoek ten grondslag had gelegd, te weten “dat zij verhinderd was, dat de verdachte zich door haar wilde doen bijstaan en dat vervanging door een kantoorgenoot niet mogelijk was”. De arresten die de Hoge Raad wees naar aanleiding van aanhoudingsverzoeken die samenhingen met een landelijke staking van strafrechtadvocaten op 11 november 2013 bevestigen dat beeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22, en de alinea staat in dat document op bytes 20299 tot 23555.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3d045574954b6975b8820ee555deec62bf961054ca1f0060183eef37e5f3cc22 | shasum -a 256