Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 2017
Onder 4.3.1. Parket bij de Hoge Raad 25 september 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1036.
Middel IV richt zich verder tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van de aangifte van bewust had moeten zijn dat - kennelijk: als gevolg van die aangifte - een aanzienlijk bedrag aan successierecht niet zou worden geheven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij verdient opmerking dat het bij de zogenoemde omkering van de bewijslast niet gaat om een maatregel waarop strafrechtelijke beginselen van toepassing zijn. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten daarom in dit verband aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. HR 23 januari 2009, nr. 07/10942, UN BD3566, BNB 2009/80). (...) Het genoemde oordeel van het Hof kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5a5ceaa9fa1518f551452b4dbabf812a558a534dbee1185502ebb79a40f71129. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5a5ceaa9fa1518f551452b4dbabf812a558a534dbee1185502ebb79a40f71129, en de alinea staat in dat document op bytes 155227 tot 156312.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5a5ceaa9fa1518f551452b4dbabf812a558a534dbee1185502ebb79a40f71129 | shasum -a 256