Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1038.

10. Vanwege die verschillen slaagt het middel mijns inziens. Niet blijkt uit de bewijsmiddelen dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs op enig moment aan de verdachte behoorlijk bekend is gemaakt. Dat de verdachte heeft verklaard te hebben gemeend dat het verlies van zijn rijbewijs het gevolg was van een tijdelijke, inmiddels geëindigde rijontzegging, kan naar mijn inzicht op zichzelf niet het oordeel dragen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In dat opzicht schiet de bewijsvoering van het hof tekort. Waar het in zaken als de onderhavige uiteindelijk op aankomt, is vanaf welk moment van de verdachte mag worden verlangd dat hij aan zijn eigen voorstelling van zaken in zodanige mate gaat twijfelen dat hij als gevolg van die twijfel onderzoek behoort te verrichten. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de bedoelde periode zijn rijbewijs niet retour heeft ontvangen, acht ik daarvoor niet zonder meer voldoende. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat overtreding van art. 9, tweede lid, WVW 1994 een misdrijf oplevert en het hier betwiste bestanddeel derhalve meer inhoudt dan louter enige verwijtbaarheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54dbb3ef5ecc7f8f2489e246bab83be7f5544d1d3b70df3f1206fc295debfefb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54dbb3ef5ecc7f8f2489e246bab83be7f5544d1d3b70df3f1206fc295debfefb, en de alinea staat in dat document op bytes 15312 tot 16577.