Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2017

Onder 2.4. Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1099.

De opvatting van het onderdeel volgens welke, kort gezegd, een voorafgaande overeenkomst haar kracht verliest – althans in beginsel haar kracht verliest – zodra vaststaat dat bij nadere overeenkomst daarvan is afgeweken, vindt mijns inziens geen steun in het recht. Hoe een nadere overeenkomst zich verhoudt tot de daaraan voorafgaande, is een vraag van uitleg, zodat bepalend is hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen en verwachten (Haviltex, wilsvertrouwensleer). Deze maatstaf sluit op zichzelf niet uit dat we een bijzondere regel van bewijslastverdeling aanvaarden, volgens welke het hetzij aan de ene hetzij aan de andere partij is om voldoende overtuigende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit de juistheid van de door deze partij verdedigde uitleg kan worden afgeleid. Juist ook voor het geval van een (gestelde) nadere overeenkomst is, zo meen ik, door uw Raad inderdaad de gelding van een dergelijke bijzondere regel aanvaard, maar dan niet de regel zoals door de steller van het onderdeel bepleit. Ik doel op de regel dat indien een partij zich tegen een vordering of verweer dat op een overeenkomst is gebaseerd niet verweert door de totstandkoming of de inhoud van die overeenkomst te betwisten, maar in plaats daarvan met de stelling dat ná de totstandkoming van die overeenkomst partijen alsnog iets anders zijn overeengekomen, die partij van deze stelling de bewijslast draagt. Díé regel dunkt mij alleszins juist. Ze past bij de gewone aanpak van veel kwesties van bewijslastverdeling, waarbij we vertrekken vanuit een aanvankelijke rechtstoestand en waarbij op de partij die aanvoert dat die rechtstoestand inmiddels is achterhaald, de gehoudenheid rust om daarvoor voldoende te stellen en die stellingen ook zo nodig te bewijzen. Men zou kunnen spreken van een ‘beginsel van de traagheid’, naar analogie van de eerste wet van Newton: alles blijft op zijn plaats, tenzij er iets is met voldoende impact om het in beweging te brengen. Op grond van dat beginsel is het bijvoorbeeld aan de partij die aanvoert dat de op haar rustende verbintenis door betaling is tenietgegaan of een overeenkomst door ontbinding is geëindigd, om die betaling respectievelijk ontbinding te stellen en zo nodig te bewijzen, welke voorbeelden moeiteloos met vele andere zouden kunnen worden vermeerderd. En zo is het dus ook aan de partij die beweert dat een aanvankelijke overeenkomst door een nadere wilsovereenstemming is achterhaald, om dit te stellen en zo nodig te bewijzen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca85f54e6a93053661ed120bd357721c9702dde349258f403c1d70ce64032ee3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca85f54e6a93053661ed120bd357721c9702dde349258f403c1d70ce64032ee3, en de alinea staat in dat document op bytes 36210 tot 38898.