Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Onder 2.16. Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:11.

Het oordeel berust op waarderingen van feitelijke aard, welke in cassatie verder niet kunnen worden getoetst. Het oordeel is toereikend gemotiveerd. Zie ik het goed, dan heeft het hof, in navolging van de Raad voor de Kinderbescherming, een andere invalshoek gekozen dan het middelonderdeel veronderstelt. De redenering van het hof doet mij enigszins denken aan de grond voor een beslissing over het ouderlijk gezag als bedoeld in art. 1:251a, lid 1 onder a, BW: indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen (het zgn. ‘klemcriterium’). Weliswaar is de laatstgenoemde wettelijke bepaling in deze zaak niet van toepassing – de moeder behoudt immers het gezag over de dochter, zij het dat de ondertoezichtstelling bepaalde bevoegdheden meebrengt voor de gecertificeerde instelling (zie art. 1:262 BW) −, maar de Raad voor de Kinderbescherming maakt melding van een “moeizame en inmiddels conflictueuze samenwerking tussen de ouders enerzijds en medische professionals anderzijds”, waarvan de dochter de dupe zou zijn (zie de weergave van het Raadsstandpunt in rov. 5.3 en 5.4). Het hof bevestigt in rov. 5.11 dat sprake is van onvoldoende samenwerking van de ouders met de ingeschakelde artsen en concludeert dat de ouders de verschillen van inzicht hoog opspelen, in hun contacten met de artsen en overige professionals het conflict opzoeken en het belang van hun dochter onvoldoende centraal stellen. In de redenering van het hof raakt de 3 jaar oude dochter klem of verloren in deze conflictueuze situatie, leidt dit tot een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling en is niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd hierin verbetering zal komen. Het hof heeft daarmee niet ‘partij gekozen’ in enig meningsverschil tussen de ouders en de behandelend arts: het hof kijkt voornamelijk naar de gevolgen van dit een en ander voor het kind. Mede gelet op art. 3 IVRK, geeft het bestreden oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee faalt subonderdeel 2.b.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ffa6fec7fe2e7ad5b613265e022cea6b35f8d8d02ef0409fe2ead68f823d7bd9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ffa6fec7fe2e7ad5b613265e022cea6b35f8d8d02ef0409fe2ead68f823d7bd9, en de alinea staat in dat document op bytes 28376 tot 30516.