Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1126.
9. Van schakelbewijs is sprake wanneer de rechter het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mede aanneemt op grond van specifieke en kenmerkende gelijkenissen met een ander, soortgelijk strafbaar feit dat de verdachte heeft begaan. Het kan in de bewijsconstructie worden toegepast wanneer de respectieve feitelijke gang van zaken die aan de feiten A en B ten grondslag ligt op essentiële punten zulke belangrijke overeenkomsten met elkaar vertoont, dat ook zonder dat ten aanzien van een bepaald tenlastegelegd onderdeel van feit B (het te bewijzen feit) afzonderlijk bewijs aanwezig is, het bewijs daarvoor redengevend kan worden afgeleid uit de hoge mate van overeenkomst met het andere feit A (het bewezen feit). Het criterium van “op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont”, hanteerde de Hoge Raad in het Lucia de B.-arrest van 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 (rov. 6.3.2). In andere arresten wordt wel gerept van “op essentiële punten overeenkomt” of “op onderdelen een kenmerkende gelijkenis vertoont”. De verschillen in formulering nemen niet weg dat de bewijskracht van het bewijsmateriaal is gelegen in de gelijksoortige modus operandi die het zeer waarschijnlijk maakt dat het te bewijzen feit B zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als het reeds bewezen feit A. Niet alleen is de waardering van het complex van gedragingen van belang bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomstige modus operandi, ook de context waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven kunnen sterk bijdragen aan het oordeel dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten bestaan. Zij kunnen immers de specificiteit van de gedragingen nader profileren of aanscherpen en aldus maken dat een veelvoud aan soortgelijke feiten niet nodig is om de typerende modus operandi aan te tonen. Daarbij zij aangetekend dat de opvatting dat bij de bewijsvoering slechts van zogenoemd schakelbewijs gebruik gemaakt kan worden indien de aan dat bewijs ontleende modus operandi op de aan meer dan één ander bewezenverklaard feit ten grondslag gelegde bewijsmiddelen berust, geen steun in het recht vindt. Tegen de achtergrond van het voorgaande verdient het aanbeveling dat de feitenrechter in een schakelbewijsoverweging uitlegt dat en waarom sprake is van een patroon en een context die vanwege hun typische elementen doorgetrokken kunnen worden naar en daarmee tevens een samenstellend deel kunnen vormen voor het bewijs van het soortgelijke feit.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aad5bb23859ceea7bf32e134c59dfe90b308551827059a4175c40d41cd866e66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aad5bb23859ceea7bf32e134c59dfe90b308551827059a4175c40d41cd866e66, en de alinea staat in dat document op bytes 33269 tot 36317.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aad5bb23859ceea7bf32e134c59dfe90b308551827059a4175c40d41cd866e66 | shasum -a 256