Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Alinea 89 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1126.

14. Ik heb (daarom) gezocht naar een arrest van de Hoge Raad waaruit die weerlegging wel zou kunnen blijken. Een dergelijk arrest heb ik niet gevonden. Wel zijn er arresten waarin bij eenzelfde modus operandi schakelbewijs als steunbewijs voor een ander, soortgelijk strafbaar feit heeft gediend, doch (net) geen sprake was van het bedoelde ‘over en weer’ schakelbewijs. Ik geef enkele voorbeelden (het gaat daarbij telkens om aangiftes/getuigenverklaringen in zedenzaken met twee jeugdige slachtoffers). In HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, NJ 2015/488 m.nt. Borgers was de verdachte vervolgd voor het afzonderlijk plegen van ontucht met twee minderjarige meisjes, te weten zijn dochter en een vriendinnetje van haar. De verklaring van de dochter was door het hof ook voor het bewijs in de zaak van het vriendinnetje gebruikt, en omgekeerd. Het eerste middel klaagde dat het bewijs dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde had begaan, door het hof uitsluitend was aangenomen op verklaringen van het vriendinnetje, terwijl het tweede middel klaagde dat het bewijs dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde had begaan, door het hof uitsluitend was aangenomen op verklaringen van zijn dochter. Zo was het echter niet, aldus ook de Hoge Raad: in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de meisjes elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvinden, waarbij de verklaringen van zijn dochter over het door de verdachte aanraken van haar lichaam wanneer zij naast hem op de bank zat en over het bang zijn om alleen met de verdachte thuis te zijn en voor wat hij kon doen, steun vinden in de verklaring van haar moeder dat het haar opviel dat als de verdachte bij hun dochter kwam zitten zij ergens anders ging zitten en dat hun dochter het vervelend vond als de verdachte naast haar kwam zitten. In HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1216 was eveneens sprake van een evidente samenhang tussen de verklaringen van twee jeugdige zedenslachtoffers. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat hij zich schuldig had gemaakt aan seksueel misbruik van zijn stiefdochter en vervolgens van zijn dochter. Het hof had onder meer overwogen dat de omstandigheid dat er sprake was van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte hier tot geen andere conclusie kon leiden dan dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunden. De Hoge Raad liet de uitspraak van het hof in stand, maar wees daarbij nog wel expliciet op de door het hof als bewijsmiddel 8 gebezigde verklaring van de intern begeleidster van de school van de stiefdochter over – kort gezegd – haar eigen waarneming betreffende het gedrag van de stiefdochter in groep 7 (huilen, schrammen op de armen van de stiefdochter, aspecten waarover de stiefdochter had verklaard, zij sneed zichzelf in de armen). Ik laat de Hoge Raad zelf aan het woord: “In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van de dochter met betrekking tot feit 1 en de stiefdochter met betrekking tot feit 2 en feit 3 onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het hof ten aanzien van deze feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen in de woning van de verdachte plaatsvonden terwijl het hof in de bewijsvoering tevens heeft betrokken de verklaring van [de intern begeleidster van de school] (bewijsmiddel 8)”. De casus in HR 4 juli 2017:ECLI:NL:HR:2017:1227 zou uitsluitsel hebben kunnen geven over de vraag hoe de Hoge Raad aankijkt tegen de hier bedoelde ‘over en weer’ schakelbewijsconstructie, indien hij aan het desbetreffende middel was toegekomen. Tenlastegelegd is dat de verdachte twee verschillende meisjes (op verschillende dagen) ontuchtig heeft betast in een bubbelbad in een plaatselijk zwembad. In reactie op het verweer dat er voor ieder afzonderlijk tenlastegelegd feit geen bewijs aanwezig is behalve de verklaring uit één en dezelfde bron voor dat betreffende feit en er derhalve niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv nu steunbewijs ontbreekt, oordeelt het hof: de verklaringen van meisje 1 en de moeder van meisje 2 (de moeder heeft namens haar dochter aangifte gedaan, EH) kunnen in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten gebruikt worden als schakelbewijs, nu de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze feiten, waaronder begrepen de plaats delict en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, op essentiële punten overeenkomsten vertonen; in beide gevallen is het slachtoffer een minderjarig meisje, vond het misbruik plaats in een bubbelbad in een zwembad en zijn de ontuchtige handelingen van dezelfde aard. De verklaringen van meisje 1 en de moeder van meisje 2 zijn dan ook redengevend voor het bewijs in elkaars zaken, aldus het hof. In cassatie werd in één middel geklaagd over schending van art. 6 EVRM, omdat het hof verklaringen die door meisje 2 zijn afgelegd tot het bewijs heeft gebruikt, terwijl (i) de verdediging – ondanks haar daartoe strekkend verzoek – dit meisje niet heeft kunnen ondervragen en (ii) de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten onvoldoende steun vindt in de andere gebezigde bewijsmiddelen. Klacht (ii) kon buiten bespreking blijven, omdat klacht (i) terecht was voorgesteld: het oordeel van het Hof dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het belang van het welzijn van meisje 2 "ernstig zou kunnen worden geschaad" is niet zonder meer begrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aad5bb23859ceea7bf32e134c59dfe90b308551827059a4175c40d41cd866e66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aad5bb23859ceea7bf32e134c59dfe90b308551827059a4175c40d41cd866e66, en de alinea staat in dat document op bytes 40702 tot 46669.