Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Onder 4.7 Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:113.

Hoewel artikel 356 lid 1 Fw bepaalt dat de bewindvoerder de slotuitdelingslijst onverwijld dient op te maken na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis in de zin van art. 354 Fw, blijkt dit in de praktijk niet altijd even voortvarend te gebeuren. Een motief hiervoor is dat op die wijze getracht wordt te voorkomen dat nagekomen baten, die op grond van art. 194 Fw alsnog aan de schuldeisers uitgedeeld moeten worden, aan het zicht van de bewindvoerder worden onttrokken. Dit is gelet op de overwegingen in het tussenvonnis ook de ervaring van de rechtbank Rotterdam. In mijn conclusie bij HR 24 februari 2012, NJ 2012, 636, op welke beschikking ik hierna nog terugkom, heb ik deze praktijk aan de orde gesteld en daarover opgemerkt dat deze handelswijze van bewindvoerders m.i. in strijd is met de wet omdat de slotuitdelingslijst op grond van art. 356 lid 1 Fw immers onverwijld dient te worden opgemaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4, en de alinea staat in dat document op bytes 17961 tot 18987.