Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Onder 4.12 Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:113.

De vraag over de toepassing van het formele of materiële einde van de schuldsanering is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd in het kader van de uitleg van art. 295 lid 1 Fw, welk artikel bepaalt dat de boedel de goederen van de schuldenaar omvat ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsanering, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt (HR 24 februari 2012, NJ 2012, 636). Het ging in die zaak om de vraag of een aanspraak uit een nalatenschap, die was opgekomen nadat de driejaarstermijn op grond van art. 349a Fw was geëindigd en de rechter een uitspraak had gedaan in de zin van art. 354 Rv, maar de slotuitdelingslijst nog niet verbindend was geworden en de schuldsaneringsregeling om die reden nog niet formeel op grond van art. 356 lid 2 Fw was geëindigd, in de boedel viel en aan de schuldeisers ten goede behoorde te komen. De Hoge Raad was van oordeel dat de gevolgen van de toepassing van de schuldsanering zoals bedoeld in de tweede afdeling van Titel III van de Faillissementswet eindigen door het aflopen van de termijn die ingevolge art. 349a Fw voor de betrokken schuldsanering geldt. Nu de nalatenschap was opgekomen na het verstrijken van de termijn ex art. 349a Fw viel de nalatenschap buiten de boedel. De Hoge Raad overwoog hierover het volgende:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4, en de alinea staat in dat document op bytes 23675 tot 25110.