Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Onder 4.13 Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:113.

In deze zaak, waarin ik cassatie in het belang der wet had ingesteld, heb ik onderzoek gedaan naar de vraag wat onder de “toepassing van de schuldsanering” in de zin van art. 295 Fw en 356 lid 2 Fw moest worden verstaan. In paragraaf 3.8.2 van mijn conclusie heb ik toen aangegeven dat uit onderzoek naar de wetsgeschiedenis bleek dat deze voor het antwoord op deze vraag geen aanknopingspunten bood en dat de formulering van de desbetreffende wetsbepalingen mijns inziens niet goed doorgedacht waren en niet op elkaar aansloten. Ik heb mij toen op het standpunt gesteld dat de wet op dit punt niet dwingend is en bovendien tot onredelijke uitkomsten leidt en er naar een andere meer redelijke wetsuitleg gestreefd moet worden. In dat kader heb ik er voor gepleit dat art. 296 Fw moest worden gelezen in het licht van art. 349a Fw, met als gevolg daarvan dat de verplichtingen van de schuldenaar in principe ophouden met het verstrijken van de schuldsaneringstermijn van drie jaar en de saneringsboedel aan het einde van de schuldsaneringstermijn wordt gefixeerd. Voorts heb ik aangegeven dat het daar ter discussie gestelde oordeel van de rechtbank naar mijn mening tot onredelijke uitkomsten leidde vanwege het feit dat er bewindvoerders zijn die welbewust de slotuitdelingslijst aanhouden in de verwachting de boedel te vergroten, waarmee het wettelijk systeem van de driejaarstermijn wordt doorkruist. Ook heb ik aangegeven dat niet alleen de werkwijze van de bewindvoerder maar ook die van schuldeisers er voor kan zorgen dat het einde van schuldsaneringsregeling vertraagd wordt door in beroep en cassatie te gaan en ook nog eens verzet aan te tekenen tegen de slotuitdelingslijst, waarbij zeker in dat laatste geval niet valt in te zien waarom de schuldsanering zou voortduren, als niet het ‘goede gedrag’ van de schuldenaar, maar enkel de verdeling van de ‘taartpunten’ tussen de bewindvoerder en de schuldeisers ter discussie staat. De schuldeiser ontleent een zekere verwachting aan de termijn van drie jaar en mag niet overgeleverd worden aan onzekerheid en, in sommige gevallen, willekeur, bijvoorbeeld de agenda of strategie van de bewindvoerder dan wel de grillen van de schuldeisers.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd2887eed2331712a5dd78b8a337d224ad37ca5b476fe61e5eec94e7f4c622d4, en de alinea staat in dat document op bytes 29950 tot 32301.