Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1171.
“Het voorlopig getuigenverhoor, zoals dat in de art. 214 e.v. [thans: art. 186 Rv e.v., toev. A-G] is geregeld, beoogt niet alleen mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat; het strekt óók en vooral ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding - degene die het aanspannen daarvan overweegt, degene die verwacht dat het tegen hem zal worden aangespannen, dan wel een derde die anderszins bij dat geding belang heeft - de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af7fdc654cce738f54860a85d27aa1222a11dda46474b047b0ea8fd4d220fe7b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af7fdc654cce738f54860a85d27aa1222a11dda46474b047b0ea8fd4d220fe7b, en de alinea staat in dat document op bytes 17069 tot 17968.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af7fdc654cce738f54860a85d27aa1222a11dda46474b047b0ea8fd4d220fe7b | shasum -a 256