Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Onder 2.35 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1174.
Art. 4 lid 1 RWN (oud) ziet niet alleen op de erkenning van een minderjarige die heeft plaatsgevonden in Nederland, maar ook op de erkenning van een minderjarige die heeft plaatsgevonden in het buitenland. Een in het buitenland tot stand gekomen erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man, heeft op grond van art. 4 lid 1 RWN (oud) nationaliteitsrechtelijk gevolg indien deze buitenlandse erkenning volgens het destijds geldende Nederlandse internationaal privaatrecht vatbaar was voor erkenning in Nederland. Aangezien voor de nationaliteitsrechtelijke vraag of de erkenning leidt tot Nederlanderschap van de minderjarige moet worden aangeknoopt bij de ten tijde van de erkenning geldende tekst van art. 4 RWN, volgt hieruit dat de in dat verband rijzende voorvraag naar de erkenning van de buitenlandse afstamming met het oog op de toepassing van art. 4 lid 1 RWN (oud) eveneens moet worden beantwoord naar het destijds geldende internationaal privaatrecht. Dit heeft tot gevolg dat voor de vraag of verzoeker door de erkenning op 6 juni 1990 het Nederlanderschap heeft verworven op grond van de in 1990 geldende tekst van art. 4 RWN, moet worden nagegaan of de buitenlandse erkenning voldeed aan de ten tijde van de erkenning geldende regels van internationaal privaatrecht met inbegrip van de destijds geldende opvattingen over de openbare-orde-exceptie. Immers, het gaat niet om de vraag of de op 6 juni 1990 gedane erkenning vandaag de dag als rechtsgeldig kan worden aangemerkt, maar om de vraag of in 1990 – het moment waarop het relevante rechtsfeit heeft plaatsgevonden op grond waarvan krachtens art. 4 lid 1 RWN (oud) Nederlanderschap wordt geclaimd – sprake was van een voor erkenning vatbare buitenlandse erkenning. In de onderhavige zaak staat vast dat de buitenlandse erkenning volgens het destijds geldende internationaal privaatrecht van Sint Maarten niet kon worden erkend op grond van strijd met de openbare orde, in het bijzonder het absolute erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud). Daaruit volgt dat de op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek door de man gedane erkenning van verzoeker geen nationaliteitsrechtelijk gevolg krachtens de RWN heeft. De vijfde prejudiciële vraag dient derhalve in ontkennende zin te worden beantwoord.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a, en de alinea staat in dat document op bytes 57730 tot 60174.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a | shasum -a 256