Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017

Onder 2.12 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1174.

In de beschikking van 10 november 1989 kreeg de Hoge Raad te oordelen over het destijds in het Nederlandse BW geldende art. 1:224 lid 1, onder b, waarin – evenals in het tot 15 januari 2001 geldende art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA – een ongeclausuleerd verbod was neergelegd op erkenning van een kind door een met een ander dan de moeder gehuwde man. Inzet van het geding was de vraag naar de verenigbaarheid van het absolute erkenningsverbod met het recht van de verwekker op eerbiediging van zijn ‘family life’ zoals gewaarborgd door art. 8 lid 1 EVRM. De Hoge Raad is nagegaan of de inbreuk die het absolute erkenningsverbod van art. 1:224 lid 1, onder b, BW maakt op het recht van de verwekker op eerbiediging van zijn ‘family life’, wordt gerechtvaardigd op de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde gronden (rov. 3.4). De Hoge Raad heeft daarbij vooropgesteld dat de vraag of een bij de wet voorziene inmenging met betrekking tot het in art. 8 lid 1 EVRM verankerde recht op eerbiediging van ‘family life’ in een democratische samenleving nodig is in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, slechts kan worden beantwoord door in het licht van de omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de door die inmenging op het bedoelde recht gemaakte inbreuk en anderzijds de belangen welke die wettelijke regeling beoogt te beschermen. Voorts heeft de Hoge Raad gewezen op vaste rechtspraak van het EHRM waaruit volgt dat een inmenging als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM slechts ‘nodig’ is indien zij beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte en, in het bijzonder, evenredig is aan het legitieme doel dat ermee wordt nagestreefd. Ten slotte heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het absolute erkenningsverbod van art. 1:224 lid 1, onder b, BW, welke bepaling het onder alle omstandigheden onmogelijk maakt dat een onwettig kind door zijn vader wordt erkend zolang deze gehuwd is, een concrete belangenafweging als vorenbedoeld uitsluit en het door het EHRM tot uitdrukking gebrachte evenredigheidsvereiste miskent. De Hoge Raad heeft de zaak zelf afgedaan door in rov. 3.7 te beslissen dat uit de vaststaande feiten van de zaak niet kan volgen dat de vrouw (de echtgenote van de man):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a, en de alinea staat in dat document op bytes 24396 tot 26684.