Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1174.
Het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) heeft het onder alle omstandigheden onmogelijk gemaakt dat een onwettig kind door zijn biologische vader wordt erkend zolang deze gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder waaruit het kind is geboren. Daarmee heeft art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA een concrete belangenafweging, zoals is vereist in de rechtspraak van het EHRM, per definitie onmogelijk gemaakt, hetgeen op gespannen voet staat met het eveneens uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende proportionaliteitsvereiste. Kortom, de beslissing die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn beschikking van 10 november 1989 kan naar mijn mening eveneens worden toegepast op het geval dat een verwekker op 6 juni 1990 zijn kind heeft erkend, zonder dat tussen hem en het kind op dat moment ‘family life’ bestond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a, en de alinea staat in dat document op bytes 31287 tot 32169.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a | shasum -a 256