Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1174.
Het begrip ‘openbare orde’ in het internationaal privaatrecht ziet op de fundamentele waarden en beginselen van de eigen rechtsorde. De exceptie van de openbare orde is een afweermiddel tegen het resultaat van de toepassing van vreemd recht dat door de conflictregel wordt aangewezen, zie ook art. 10:5 BW. De openbare orde is een laatste redmiddel, waarvan slechts spaarzaam gebruik mag worden gemaakt. Fundamentele waarden en beginselen kunnen een universele gelding hebben – denk aan de universele mensenrechten – maar ook naar plaats en naar tijd verschillen. Zij verschillen naar plaats, omdat ieder rechtsstelsel een eigen opvatting heeft ten aanzien van fundamentele waarden en beginselen, en naar tijd, omdat wat in het verleden als fundamenteel voor de eigen rechtsorde werd beschouwd, op een later moment anders kan worden gezien door veranderde maatschappelijke en (in het kielzog daarvan) juridische opvattingen. In het internationaal-privaatrechtelijke afstammingsrecht beoogt de openbare-orde-exceptie erkenning te onthouden aan, onder meer, een in het buitenland door een bevoegde instantie opgemaakte akte waarin zijn opgenomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, wanneer de erkenning daarvan een rechtsgevolg in het leven zou roepen dat in strijd komt met de normen en waarden die in de eigen rechtsorde voor fundamenteel worden gehouden. Ik wijs in dit verband op art. 10:101 BW, waarop het hof ook in rov. 2.6 van de beschikking van 3 maart 2017 heeft gewezen. Deze bepaling regelt de voorwaarden voor erkenning in Nederland van in het buitenland tot stand gekomen of gewijzigde afstammingsverhoudingen die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie opgemaakte akte. Eén van de weigeringsgronden voor erkenning van een dergelijke akte is dat de erkenning kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (art. 10:101 lid 1 jo. art. 10:100 lid 1, onder c, BW). Volgens het tweede lid van art. 10:101 BW doet de weigeringsgrond van de openbare orde zich met betrekking tot de erkenning (van een kind door een ouder) in elk geval voor: (a) indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen, (b) indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge art. 10:95 lid 3 BW toepasselijk is, of (c) indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft. Op deze wijze heeft de wetgever de openbare-orde-exceptie voor afstammingsdoeleinden geconcretiseerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a, en de alinea staat in dat document op bytes 36560 tot 39244.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0df7ebf7dab32dc348adb777d66c9cdc10e663ef3149a6d5b132f2d1c0e76d4a | shasum -a 256