Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017
Onder 3.24. Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1251.
In de literatuur bestaat verdeeldheid over de vraag of bedrog onder het bereik van art. 7:23 BW zou moeten vallen. Zo heeft Hijma in een principieel betoog opgemerkt dat art. 7:23 BW behoort tot het terrein van de non-conformiteit en daarmee tot dat van wanprestatie. Dwaling en bedrog zijn totstandkomingsgebreken ofwel wilsgebreken. Systematisch bestaat er tussen dwaling en wanprestatie een fundamenteel onderscheid, omdat bij wanprestatie de koper niet krijgt waarop hij volgens de overeenkomst recht heeft, terwijl dit bij dwaling wel het geval is. Bij bedrog is sprake van misleiding in de precontractuele fase met als doel de koper te bewegen om een overeenkomst met de verkoper aan te gaan. De koper klaagt niet over de discrepantie tussen de inhoud van de overeenkomst en de uitvoering daarvan, maar over de feitelijke situatie, het contract, en de situatie die zou zijn ontstaan als de verkoper zich van de misleiding zou hebben onthouden, wat zou hebben geleid tot geen contract of een contract met een andere inhoud. Dwaling behoort volgens Hijma dan ook niet tot het terrein van art. 7:23 BW, maar zou daar slechts om zwaarwegende redenen ondergeschoven kunnen worden. Deze zwaarwegende reden zou dan de rechtszekerheid van de verkoper moeten zijn, hetgeen hem onvoldoende klemmend lijkt. In geval van bedrog is voor art. 7:23 BW volgens Hijma geen plaats omdat in dat geval de verkoper zich bij het sluiten van de overeenkomst heeft misdragen en op behoud van uit de overeenkomst voortvloeiende voordelen, ten koste de bedrogen koper, in goede gemoede geen aanspraak kan maken. Met betrekking tot de nakomingsacties (aanvulling, herstel en vervanging) is het volgens Hijma voor de verkoper van belang dat hij tijdig actie kan ondernemen, zodat een spoedige waarschuwing essentieel is. Dit speelt bij een beroep op dwaling en bedrog niet, omdat het daarbij alleen om een mogelijke vernietiging gaat, wat tot ongedaanmaking leidt, maar niet tot bijzondere nakomingsactiviteiten aan de zijde van de verkoper. De slotsom hiervan is volgens Hijma, dat de koper op ontoereikende grond een hem normaliter ten dienste staande en in het algemeen als wezenlijk ervaren vernietigingsgrond ontneemt. Op grond van de voorgaande argumenten beantwoordt Hijma de vraag of een vordering op grond van bedrog onder de reikwijdte van art. 7:23 BW zou moeten vallen ontkennend en voegt daar nog aan toe dat met name op het punt van het opzetvereiste het voor bedrog relevante feitencomplex zich fundamenteel onderscheidt van de feiten die voor wanprestatie beslissend zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb975004a724e0f64840ed387573eb29ddfae34be46bfb62d74ee45138bf0263. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb975004a724e0f64840ed387573eb29ddfae34be46bfb62d74ee45138bf0263, en de alinea staat in dat document op bytes 61370 tot 64526.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb975004a724e0f64840ed387573eb29ddfae34be46bfb62d74ee45138bf0263 | shasum -a 256