Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 november 2017
Onder 5.15 Parket bij de Hoge Raad 7 november 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1281.
“Ik kan mij op het eerste gezicht vinden in dit oordeel van de rechtbank aangezien de eerder door verkoper gemaakte afspraken zien op de herzieningsregeling. Tijdens de introductie van art. 31 Wet OB (later vernummerd naar art. 37d Wet OB), dat ziet op de overgang van een onderneming, gaf de wetgever immers aan dat ‘in de plaats treden’ vooral van belang is voor de herzieningsregeling in de btw. Als verkoper over de herzieningsregeling afspraken maakte met de Belastingdienst, lijkt het dus ook logisch dat deze afspraken immers ook gelden voor koper. Anders kan koper naar mijn mening nimmer in de plaats treden van verkoper voor de herzieningsregeling. De rechtbank baseert op dit punt haar uitspraak op HR 8 augustus 2014, nr. 12/03952, NTFR 2014/2143. In deze zaak liep de koper na de overname tegen een blijkbaar onverwachte tegenvaller op: koper verkreeg onroerende zaken aan het eind van het boekjaar maar moest de herzieningsbtw over het gehele boekjaar voldoen. De Hoge Raad oordeelde dat herzieningsbtw pas aan het einde van het boekjaar is verschuldigd en dus niet gedurende het boekjaar. Het oordeel van de rechtbank betekent dus, in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad, dat bij een overname van een onderneming de koper vooraf alle btw-aspecten in kaart moet brengen. Daar vallen dus ook eventuele door de verkoper gemaakte afspraken met de Belastingdienst over bepaling van herziening en ingebruikname van zaken onder. Als ik de uitspraak van de rechtbank doortrek, kunnen dus ook afspraken over wanneer verhuur geldt als ‘verhuur plus’ daar onder vallen. Dergelijke afspraken kunnen immers ook van invloed zijn op de herzieningsregeling. Toch roept de uitspraak van de rechtbank bij mij de volgende vraag op: in hoeverre is nu echt sprake van een bindende afspraak tussen verkoper en de Belastingdienst die naar koper overging. Wenste de verkoper ‘slechts’ om vooraf zekerheid te verkrijgen dat fysiek weliswaar sprake is van één kantoorgebouw maar dat voor de btw heffing sprake is van meerdere zelfstandige onroerende zaken. Verkoper meende dat elke etage kwalificeerde als een zelfstandige onroerende zaak. De inspecteur bevestigde naar mijn mening ‘slechts’ dit standpunt, niks meer en niks minder. Of ging de verkoper een overeenkomst aan met de Belastingdienst waarin partijen afspraken maakten over de ingebruikname en btw-herziening van het kantoorgebouw? De uitspraak van de rechtbank is op dat punt voor mij niet geheel duidelijk. Als verkoper ‘slechts’ vooraf bevestiging wenste te ontvangen van zijn standpunt, meen ik dat verkoper en koper hier niet aan gebonden is. Verkoper en dus ook koper kunnen in dat geval op elk willekeurig moment het standpunt innemen dat er voor de btw heffing veel meer onroerende zaken zijn: niet elke etage kwalificeert als een zelfstandige onroerende zaak maar elke unit. Maar ook in het geval dat verkoper een overeenkomst sloot met de Belastingdienst, vraag ik mij af in hoeverre verkoper en dus koper hieraan is gebonden. Als partijen namelijk geen afspraken maakten over opzegging, staat het een belastingplichtige immers vrij om deze overeenkomst op elk moment op te zeggen. Ik sluit dus niet uit dat de rechter dus toch het standpunt van koper, dat herziening en ingebruikname per unit dient plaats te vinden, btw-technisch moet beoordelen.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2eafbde42b450d14cfb4fb89b470d2b0272c09a1dee49cb4f70d74957a37cdfb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2eafbde42b450d14cfb4fb89b470d2b0272c09a1dee49cb4f70d74957a37cdfb, en de alinea staat in dat document op bytes 94082 tot 97440.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2eafbde42b450d14cfb4fb89b470d2b0272c09a1dee49cb4f70d74957a37cdfb | shasum -a 256