Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Onder 3.17 Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1322.
Het hof mocht dus tot het oordeel komen dat de stellingen van de Stichting (a) tot en met (c) – over de toezegging tot nakoming/schadevergoeding nadat de kwesties met het OM, de FIOD en de beleggers waren opgelost (hiervoor randnummers 2.12, 3.5 en 3.16) – van (doorslaggevende) betekenis zijn voor de vraag op welke wijze [eiser c.s.] de stuitingsbrief uit 2005 dienden te begrijpen. Bij deze stand van zaken is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat, indien de stellingen (a) tot en met (c) van de Stichting geheel of voor een relevant deel juist zouden zijn, voor [eiser c.s.] duidelijk moet zijn geweest dat de brief ook betrekking had op de vermeende toezegging. De in het subonderdeel genoemde stellingen behoefden het hof – ook in onderling verband – niet tot het oordeel te brengen dat de vereiste ondubbelzinnige schriftelijke mededeling ontbreekt. Subonderdeel 2.1 faalt dus.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46, en de alinea staat in dat document op bytes 49813 tot 50793.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46 | shasum -a 256