Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Onder 3.5 Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1322.
In de onderhavige zaak heeft het hof de in randnummer 3.3 genoemde uitgangspunten in rov. 3.14. weergegeven. Deze overweging is terecht onbestreden gebleven. Het hof heeft in rov. 3.15. eveneens onbestreden vastgesteld dat de brief van 15 februari 2010 tot hernieuwde stuiting van de verjaring heeft geleid mits de vijfjaarstermijn van verjaring tevoren reeds eerder was gestuit binnen vijf jaar voor 15 februari 2010. In rov. 3.16. heeft het hof de stelling van de Stichting weergegeven dat die eerdere stuiting heeft plaatsgevonden door de brief van 2 maart 2005. Het hof heeft vastgesteld dat de enkele tekst van de brief niet een voldoende duidelijke waarschuwing bevat terzake van de gestelde toezegging aan [betrokkene 1] (rov. 3.16.). Het hof is vervolgens toegekomen aan de beoordeling van de stelling van de Stichting dat niet alleen naar de tekst moet worden gekeken, maar ook naar de (door haar gestelde) context waarin de mededelingen zijn gedaan en de overige omstandigheden van het geval (rov. 3.17.-3.18.). Het hof heeft de Stichting in dat kader toegelaten tot het bewijs van haar stellingen (a) dat na de gestelde toezegging tussen partijen veelvuldig is gesproken over hoe de nakoming daarvan alsnog ingevuld moest worden, waarbij door en namens [betrokkene 1] op die toezegging en de nakoming nadien door schadevergoeding nog diverse keren is aangedrongen, (b) dat daarbij door de schuldenaren steeds is toegezegd dat een en ander nagekomen en goedgemaakt zou worden, maar eerst zodra de moeilijke kwesties met het OM en de FIOD en met de claims van de beleggers opgelost waren en (c) dat daarbij in het kader van diezelfde moeilijke kwesties ook nog eens is afgesproken tussen partijen dat zij, in afwachting van de afwikkeling van die kwesties, onderling geen voor de buitenwereld nieuwe beschuldigingen zouden uiten of procedures zouden starten. Indien deze stellingen geheel of voor een relevant deel juist zijn, dan moet naar het oordeel van het hof voor [eiser c.s.] duidelijk zijn geweest dat de stuitingsbrief van 2005 mede betrekking had op de vordering inzake de niet nagekomen toezegging aan [betrokkene 1] (rov. 3.18.). Het hof heeft de verdere behandeling van de grieven 3 tot en met 9, die betrekking hebben op de beslissing van de rechtbank dat de vordering van de Stichting is verjaard (rov. 3.9.), vooralsnog aangehouden, totdat inzake de bewijslevering kan worden beslist (rov. 3.18.).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46, en de alinea staat in dat document op bytes 33368 tot 35803.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46 | shasum -a 256