Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1322.
Ook de klachten van subonderdelen 1.3 en 1.4 zijn naar mijn mening vergeefs voorgesteld. Het hof heeft niet geoordeeld dat de Stichting door alle middelen rechtens het bewijs zou kunnen leveren dat de tekst van de brief voldoet aan de eisen van art. 3:317 BW. Het oordeel van het hof houdt, indachtig de rechtspraak van Uw Raad (hiervoor randnummer 3.3), in dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ondubbelzinnige mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW mede acht moet worden geslagen op de context en de overige omstandigheden van het geval. Deze context en overige omstandigheden kunnen, zo volgt uit het oordeel van het hof, worden bewezen door alle middelen rechtens (waaronder het horen van getuigen). Deze overweging maakt aldus bezien voldoende inzichtelijk hoe de bewijslevering verenigbaar is met het schriftelijkheidsvereiste van art. 3:317 lid 1 BW.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46, en de alinea staat in dat document op bytes 39879 tot 40771.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bbbcaaf720bea912db9051b65fbfd225119fb82be890c951ccaa65217a2daa46 | shasum -a 256