Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2017
Onder 3.11. Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1345.
Naar mijn mening voldoet deze motivering niet aan de vereisten die daaraan volgens rechtsoverweging 3.8.1 van voormeld arrest van 4 juli 2017 mogen worden gesteld. De Hoge Raad formuleert hierin immers een mede op art. 6 EVRM gestoelde motiveringsplicht “op grond waarvan de rechter de feitelijke en/of juridische gronden waarop de afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting of de uitspraak dient op te nemen”. Dit zou een loze voorwaarde zijn indien de rechter daarbij zou kunnen volstaan met een algemene motivering zoals het hof in onderhavige zaak heeft gegeven, die weinig tot geen inzicht biedt in de inhoudelijke afwegingen die het hof heeft gemaakt en welke aspecten het hof daarbij heeft betrokken. Hoe aan de bijzondere motiveringsplicht anders dan hiervoor vermeld inhoud moet worden gegeven, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juli 2017 niet nader gespecificeerd, wél dat deze motiveringsplicht mede op art. 6 EVRM steunt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e11c5e5b2745fdb4287dcc7754472654bee63eb3f0a906f77f834fbd441cf2bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e11c5e5b2745fdb4287dcc7754472654bee63eb3f0a906f77f834fbd441cf2bb, en de alinea staat in dat document op bytes 52513 tot 53490.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e11c5e5b2745fdb4287dcc7754472654bee63eb3f0a906f77f834fbd441cf2bb | shasum -a 256