Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 december 2017

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 15 december 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1397.

12. Uit artikel 5.2 van de Wet IB 2001 volgt dat bij het vaststellen van de inkomsten uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van het vermogen op 1 januari van het kalenderjaar, waarbij de inkomsten uit dat vermogen forfaitair worden gesteld op 4%. De wettelijke regeling houdt geen rekening met de werkelijke inkomsten uit het vermogen van de belastingplichtige en biedt dus geen mogelijkheid om bij het vaststellen van de inkomsten uit sparen en beleggen rekening te houden met positieve of negatieve waardemutaties van de vermogensbestanddelen in de loop van het jaar; dus ook niet met het tenietgaan van een gedeelte van het vermogen of zelfs van het gehele vermogen in de loop van het jaar. Ook voorziet de regeling niet in de mogelijkheid de heffing van inkomstenbelasting in box 3 te relateren aan de periode waarin vermogensbestanddelen in bezit van eiser zijn geweest. In zijn arrest van 3 april 2015 (nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit systeem niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb6e28b6c731df97eee4ab3708d154974395e51f22e52c25a781b34495e32c40. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb6e28b6c731df97eee4ab3708d154974395e51f22e52c25a781b34495e32c40, en de alinea staat in dat document op bytes 16917 tot 17992.