Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 december 2017

Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 22 december 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1433.

Indien het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan en (impliciet) heeft geoordeeld dat het vereiste causaal verband aanwezig is, dan is dat oordeel onbegrijpelijk. Uit het arrest volgt immers veeleer dat het causaal verband er niet is. Het hof heeft vastgesteld dat de brief van De Jong d.d. 22 augustus 2008 - waarin geen melding was gemaakt van de overboeking van de gelden - “voldoende aanleiding had moeten” zijn voor [verweerster] om contact op te nemen met mr. Kurz. Het hof overweegt dat als [verweerster] meteen na 22 augustus 2008 contact had opgenomen met mr. Kurz, “de schade zich, naar mag worden verwacht, niet [zou] hebben voorgedaan.” Vaststaat evenwel dat [verweerster] naar aanleiding van de brief niet meteen actie heeft ondernomen, terwijl de brief volgens de overwegingen van het hof daarvoor voldoende aanleiding had moeten geven. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat [verweerster] wél maatregelen had getroffen om verhaal van haar vordering zeker te stellen indien De Jong in de brief van 22 augustus 2008 tevens had vermeld dat het saldo op de faillissementsrekening was overgeboekt naar de derdengeldenrekening van mr. Kurz (nr. 2.14 cassatiedagvaarding).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb8bc027d40c40d6f84bc1c79e963f7e2bb3380389dc9544bb80cb9d664ac23b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb8bc027d40c40d6f84bc1c79e963f7e2bb3380389dc9544bb80cb9d664ac23b, en de alinea staat in dat document op bytes 56618 tot 57841.