Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 2017

Alinea 105 Parket bij de Hoge Raad 12 december 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1550.

30. De Hoge Raad vat de term rechtstreekse schade niet te beperkt op. Ik wijs bijvoorbeeld op HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:134: “In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat “[betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan", geeft 's Hofs oordeel dat de door [betrokkene] geleden schade aan haar fiets in zodanig nauw verband staat met de bewezen verklaarde mishandeling van haar door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan [betrokkene] toegebracht door het bewezen verklaarde feit als bedoeld in art. 51f en art. 361, tweede lid onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting” (het oordeel was voorts niet onbegrijpelijk). Van een strikt verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade (in voormeld arrest: de bewezenverklaarde mishandeling en de schade aan de fiets die veroorzaakt was doordat de benadeelde partij deze fiets in een reflex voorafgaand aan de mishandeling liet vallen), hoeft dan ook geen sprake te zijn. Vermeldenswaardig is ook HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2093, NJ 2014/398 m.nt. Cleiren. Dit arrest heeft betrekking op de schadevergoedingsmaatregel. Weliswaar komt daarbij naar de letter van de wet het criterium “rechtstreekse schade” niet voor, maar het wordt in de rechtspraak bij toepassing van art. 36f Sr wel ingelezen. Ten laste van de verdachte was onder meer bewezenverklaard dat hij zich schuldig had gemaakt aan een poging tot ramkraak, waarbij met een Volkswagen Golf tegen de gevel van een winkel was gereden. De verdachte was niet vervolgd voor de diefstal van deze auto. Het hof had desondanks een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor de schade die de eigenaar door de diefstal van de auto had geleden, inclusief de daaruit vervreemde zaken. De Hoge Raad overwoog dat in het oordeel van het hof besloten lag dat de verdachte en zijn mededader de auto hadden gestolen. Met een verwijzing naar het dusdanig korte tijdsverloop dat verstreken was tussen het tijdstip van de diefstal en het bewezenverklaarde feit, achtte de Hoge Raad dat oordeel niet onbegrijpelijk. Evenmin onbegrijpelijk achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk was voor de schade die door de bewezenverklaarde gedraging aan de auto was toegebracht. Dat gold ook voor het kennelijke oordeel dat de door de vervreemding ontstane schade, als een gevolg van de diefstal van de – bij het bewezenverklaarde feit gebruikte – auto, redelijkerwijs aan de verdachte moest worden toegerekend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ceea92ea15f67922e4144558c98c2d5167bf2081f6578ff55eeae15657438477. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ceea92ea15f67922e4144558c98c2d5167bf2081f6578ff55eeae15657438477, en de alinea staat in dat document op bytes 37824 tot 40616.