Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017
Onder 17.05 Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1613.
29. De opsporingsambtenaren die later beperkt anoniem zijn gehoord zijn in de door hen opgemaakte en tot het bewijs gebezigde processen-verbaal niet bij naam, maar bij codenummer (B) aangeduid. Uit de tekst van art. 360 Sv volgt niet dat de rechter ‘in het bijzonder reden’ behoeft op te geven van het gebruik van deze processen-verbaal als bewijsmiddel. Om ‘schriftelijke bescheiden als bedoeld in art. 344a, derde lid’, Sv gaat het niet. Van een ‘persoon wiens identiteit niet blijkt’ is namelijk geen sprake als vaststaat dat deze persoon zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. Uit het in de toelichting op het middel genoemde HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362 m.nt. Reijntjes kan evenwel worden afgeleid dat de omstandigheid dat een onder codenummer verbaliserende opsporingsambtenaar naderhand door de rechter-commissaris op de voet van art. 190, derde lid, Sv is verhoord, meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv ook van toepassing is op de processen-verbaal die deze persoon eerder heeft opgemaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09e672ecad83af70b2b1f3040f7c4b550b2152c1ce20b50014e57ca53e942087. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09e672ecad83af70b2b1f3040f7c4b550b2152c1ce20b50014e57ca53e942087, en de alinea staat in dat document op bytes 129005 tot 130339.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/09e672ecad83af70b2b1f3040f7c4b550b2152c1ce20b50014e57ca53e942087 | shasum -a 256