Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017

Onder 30 Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1613.

8. De steller van het middel ziet er naar mijn oordeel aan voorbij dat het openbaar ministerie in de fase van het strafproces waarin de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie de uitlatingen deed waar de verdachte zich op beroept, niet de mogelijkheid had om de vervolging te beëindigen. In eerste aanleg kan de officier van justitie de dagvaarding intrekken zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen (art. 266 Sv). Nadien kan dat niet meer. Ook de wettelijke regeling van het hoger beroep kent geen bepaling die het openbaar ministerie de bevoegdheid geeft de vervolging te beëindigen nadat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen. Het openbaar ministerie kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging als het de verdachte in strijd met een eerdere toezegging toch dagvaardt, omdat het op grond van art. 167 Sv ook anders kan beslissen. Hier had het openbaar ministerie niets te beslissen. Dat heeft het hof ook onder woorden gebracht met de overweging dat de zaak na 10 maart 2011 aanhangig was gemaakt bij het gerechtshof en daarmee ‘onder de rechter gebracht en aan het eindoordeel van het hof onderworpen’ was. Reeds op deze grond faalt het middel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09e672ecad83af70b2b1f3040f7c4b550b2152c1ce20b50014e57ca53e942087. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09e672ecad83af70b2b1f3040f7c4b550b2152c1ce20b50014e57ca53e942087, en de alinea staat in dat document op bytes 22453 tot 23751.