Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017

Onder 5.9. Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:171.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld. Van “een rechtmatige uitoefening van hun bediening” zal in beginsel sprake zijn wanneer opsporingsambtenaren uitvoering geven aan een hun toekomende in een wettelijke bepaling neergelegde bevoegdheid. Het betreft een geobjectiveerd bestanddeel van art. 180 Sr; de bewezenverklaring daarvan staat los van wat de verbalisanten op het moment van de aanhouding al dan niet wisten. Handelt een verbalisant in opdracht van een daartoe bevoegde meerdere, dan is sprake van een rechtmatige uitoefening van de bediening, ook indien naderhand blijkt dat het bevel door die bevoegde meerdere niet op goede gronden was gegeven. Het bewijs van handelen “in de rechtmatige uitoefening van hun bediening” in de zin van art. 180 Sr bij een aanhouding op heterdaad vereist het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld zoals bedoeld in art. 27 Sv. De vraag of uit bepaalde feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit, is van feitelijke aard. De beantwoording van die vraag door de feitenrechter kan daarom in cassatie alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802, en de alinea staat in dat document op bytes 59299 tot 60755.