Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017
Onder 4.5. Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:171.
Alvorens dieper op de concrete zaak in te gaan wijd ik enkele overwegingen aan de problematiek van het ondervragingsrecht van getuigen in het algemeen. De vraag of in het Nederlandse nationale strafprocesrecht voldoende waarborgen aanwezig zijn voor de verdediging om het in art. 6 lid 1, in samenhang met lid 3 sub d EVRM uitgedrukte ondervragingsrecht op het vereiste niveau te kunnen uitoefenen blijft de gemoederen al decennia lang bezighouden. De vraag die daarbij steeds opgeworpen kan worden is hoe de toetsing door de Hoge Raad in cassatie zich verhoudt tot de veel meer op het geval zelf gerichte, dus casuïstische benadering van het EHRM in Straatsburg. Men zie daarover bijvoorbeeld de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:1765), voorafgaand aan HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014/313, m. nt. T.M. Schalken. Daar gaat het over de al dan niet gegronde reden om de getuige niet op de zitting te laten ondervragen. Over de benadering door de Hoge Raad op dat punt stelt Knigge, mijns inziens terecht, dat deze samenhangt met “de aard van de cassatieprocedure, die om klachten vraagt die ‘to the point’ zijn. De vraag of er een goede reden was waarom de getuige niet op de terechtzitting kon worden ondervraagd, vertaalt zich procesrechtelijk dikwijls in de vraag of het verzoek om de getuige te horen op goede gronden is afgewezen. Een verdachte die het met die afwijzing niet eens is, moet daarover klagen en niet volstaan met een ongespecificeerde klacht over het gebruik van de bij de politie afgelegde verklaring.” De discussie of die benadering door de Hoge Raad in alle gevallen door de beugel van het EHRM kan, mag gelet op de op 29 december 2015 bij het EHRM aanhangig gemaakte zaak van Keskin tegen Nederland als heropend beschouwd worden. Kort gezegd was Keskin veroordeeld op basis van een zevental verklaringen van getuigen, die door de verdediging niet konden worden ondervraagd. Het cassatieberoep dat uiteindelijk was ingesteld door de verdachte stuitte af op toepassing van art. 80a RO – het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard. De zaak leidde in Straatsburg tot een ‘communication’ van het EHRM, met een verzoek aan partijen om aan te geven of verdachtes recht op een eerlijk proces was geschonden door het feit dat hij noch zijn raadsman op enig moment in de procedure de gelegenheid had gekregen om de getuigen a charge, wier verklaringen bij de politie als bewijs tegen hem gebruikt waren, te ondervragen. Op die vraag heeft de Nederlandse regering inmiddels, op 29 december 2016, geantwoord dat zij van mening is dat inderdaad sprake is geweest van een schending van art. 6 lid 1, in samenhang met lid 3 sub d van het EVRM. Een nadere motivering waarom dit zo zou zijn geeft de regering daarbij echter niet. In deze context kan aan de opinie van de regering naar het mij voorkomt dan ook geen reële, rechtsvormende betekenis worden toegekend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802, en de alinea staat in dat document op bytes 29353 tot 32427.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802 | shasum -a 256