Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017

Onder 4.9. Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:171.

Zoals ik eerder – in het voetspoor van mijn ambtgenoot Knigge – aanhaalde is er in ieder geval optisch een verschil tussen de benadering door het EHRM en die van de Hoge Raad. De Hoge Raad als cassatierechter kan bij klachten over art. 6 EVRM niet allerhande feitelijke aspecten van de zaak zelf onderzoeken, wat het Straatsburgse Hof in de klachtprocedure van het EVRM wel doet. Het onderzoek door de Hoge Raad is immers enerzijds begrensd door de ingediende cassatiemiddelen en anderzijds begrensd door de motivering van beslissingen de feitenrechter omtrent getuigenverzoeken. Dat laatste aspect grijpt nog verder door, omdat de feitenrechter veelal op basis van een verzoek van de verdediging een beslissing neemt over het al of niet oproepen en horen van getuigen. Bij elkaar drukt dat een geheel ander rechtsstelsel uit dan bijvoorbeeld het Angelsaksische systeem, in het bijzonder dat van de juryrechtspraak. Daar kan men zonder meer spreken van ‘witnesses for the prosecution’, die als regel, opgeroepen door de vervolgende instantie op de terechtzitting aanwezig zijn, aldaar een getuigenis afleggen en waarbij het eigenlijk vanzelfsprekend is dat de verdediging ten aanzien van die getuigen het ondervragingsrecht mag uitoefenen. Die situatie is niet aanwezig in het Nederlandse stelsel. Veelal zijn de personen die in het vooronderzoek, meestal door de politie, zijn ondervraagd niet als getuigen op de terechtzitting aanwezig. Een duidelijk te onderscheiden categorie van getuigen ‘voor het openbaar ministerie’ kennen wij in Nederland dan ook niet, net zo min als de categorie van getuigen ten behoeve van de verdediging – of zoals de Engelse tekst van art. 6 lid 3 onder d op dit punt luidt, ‘witnesses on his behalf’. Van elke getuigenverklaring, afgelegd in het vooronderzoek en wiens verklaring zich in het dossier bevindt zal – uiteindelijk - de rechter moeten beoordelen wat de waarde er van is en pas bij het bewijs blijkt of de verklaring in belastende of ontlastende zin is. Het ligt dan – naar huidige inzichten - ook in de rede van de procespartijen te verlangen dat, indien een getuige niet is opgeroepen voor de terechtzitting, gemotiveerd aan te geven waarom dat wel zou moeten gebeuren. Deze motiveringseis hanteert de Hoge Raad ook uitdrukkelijk, en wel heel in het algemeen als het gaat om verzoeken om getuigen op de zitting te horen, zie het overzichtsarrest over getuigenverzoeken, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496. De Hoge Raad overwoog daarin, (rov 2.6):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e1cb0a547b87ede47d23d23ab52156312c1bdf447c84907c7cb8dc6a92f802, en de alinea staat in dat document op bytes 36609 tot 39138.