Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Onder 3.27 Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:173.

Op zichzelf is juist dat de vrouw ook gewezen heeft op berichten van voor de erkenning, maar dit kan de vrouw niet baten. Op de in het middel aangegeven vindplaatsen wordt vooral gewezen op de e-mail van 17 oktober 2012 en de sms-berichten van 2 en 3 november 2012. Bij de bespreking van subonderdeel A.1, voor zover betrekking hebbend op de stellingen 1 en 2, is reeds aan de orde gekomen dat het hof onder ogen heeft gezien dat de man voorafgaande aan de erkenning, meer in het bijzonder op of rond 17 oktober 2012, heeft getwijfeld aan zijn vaderschap. Deze omstandigheid is echter, zoals het hof onbestreden heeft overwogen (in rov. 2.10), niet doorslaggevend. Zoals eerder besproken (onder 3.9.7), ligt in de overwegingen van het hof besloten dat de berichten waarop de in subonderdeel A.1 genoemde stellingen 1 en 2 verder zien, voor zover de gestelde twijfel daaruit al volgt, niet dan wel in onvoldoende mate afdoen aan het oordeel van het hof dat de man is geslaagd in het door hem te leveren bewijs.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0842c8a0c8687243b313dc6a456408b00f90d897acaad099e87f2d2e3e3b2e69. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0842c8a0c8687243b313dc6a456408b00f90d897acaad099e87f2d2e3e3b2e69, en de alinea staat in dat document op bytes 62660 tot 63781.