Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Onder 3.30 Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:173.

Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat het moment van erkenning geldt als beoordelingsmoment voor beantwoording van de vraag of er sprake was van dwaling als bedoeld in art. 1:205 lid 1, aanhef en sub b, BW. Verder voert het middel terecht aan dat ook berichten van na de erkenning van belang kunnen zijn voor beantwoording van deze vraag, nu uit deze berichten kan volgen dat er ten tijde van de erkenning geen sprake was van dwaling. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof dit laatste echter niet miskend. Het hof heeft weldegelijk onderkend dat ook berichten van na de erkenning relevant kunnen zijn voor beantwoording van de vraag of er sprake was van dwaling ten tijde van de erkenning. Het hof heeft immers zijn oordeel (in rov. 2.14) mede gebaseerd op vier berichten van 19 februari 2013, derhalve van na de erkenning. Verder volgt ook uit rov. 2.15, eerste twee volzinnen (“De vrouw heeft … de uitdraai staat’’) dat het hof onderkent dat ook berichten van na de erkenning relevant kunnen zijn. Dat het hof heeft overwogen dat de (overige) berichten waarop de vrouw een beroep heeft gedaan ter onderbouwing van haar stelling in kwestie dateren uit een periode van na de erkenning waarin er opnieuw twijfels zijn ontstaan bij de man (en deze berichten daarom niet of onvoldoende ter zake dienend zijn, zie onder 3.12.3) maakt het vorenstaande niet anders.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0842c8a0c8687243b313dc6a456408b00f90d897acaad099e87f2d2e3e3b2e69. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0842c8a0c8687243b313dc6a456408b00f90d897acaad099e87f2d2e3e3b2e69, en de alinea staat in dat document op bytes 65682 tot 67223.