Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:180.

Voor wat betreft het eerste punt, het opstellen van een boedelbeschrijving, geldt het volgende. Het zou inderdaad handig zijn als het hof in het dossier een kant-en-klare boedelbeschrijving had aangetroffen. Het probleem in deze zaak is echter nu juist dat partijen fundamenteel van mening verschillen over wat er tot de boedel behoort. Na het overlijden van vader [betrokkene 2] (wijlen de echtgenoot van erflaatster [betrokkene 3] ) in 1979 omvatte diens nalatenschap een groot aantal onroerende zaken, effecten, banktegoeden en vorderingen. [eiser] en [betrokkene 1] stellen zich op het standpunt, kort samengevat, dat [verweerder] voor [betrokkene 3] het beheer is gaan voeren over deze nalatenschap, dat hij daarover rekening en verantwoording dient af te leggen, dat onduidelijk is waar al die boedelbestanddelen zijn gebleven en dat hij hen een groot bedrag is verschuldigd. In hoger beroep vordert [eiser] in verband hiermee (onder meer) betaling door [verweerder] van een bedrag van € 2,5 mio met wettelijke rente. Hiertegenover heeft ook [verweerder] een aantal vorderingen jegens [eiser] , omdat [eiser] , kort gezegd, al lange tijd om niet een tot de nalatenschap behorende woning bewoont. Verder verschillen partijen van mening over de waardering van die, aan [eiser] toe te delen, woning. Gelet op deze verschillen lijkt het opmaken van een boedelbeschrijving door de erfgenamen/vereffenaars tezamen zonder rechterlijke tussenkomst irreëel. Juist vanwege alle geschillen over de vraag wat er tot de boedel behoort, hebben partijen de rechter verzocht om te beslissen over omvang en verdeling van de nalatenschap. Ook het gezamenlijk instellen van een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording – een stap die noodzakelijk kan zijn om beslissingen te nemen over de omvang van de nalatenschap –, zoals het hof suggereert (rov. 2.20 tussenarrest en rov. 2.1 eindarrest), zal niet tot de mogelijkheden behoren, nu [verweerder] zich verzet tegen het afleggen van rekening en verantwoording. De door [eiser] en [betrokkene 1] ingestelde vordering tot rekening en verantwoording is door de rechtbank afgewezen omdat er geen rechtsgrond voor zou zijn. Hetzelfde geldt voor de vordering van [eiser] tot vaststelling dat [verweerder] wegens het opzettelijk verzwijgen en/of zoekmaken en/of verborgen houden van tot de gemeenschap behorende goederen, zijn aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd (art. 3:194 lid 2 BW). Ook die vordering zou volgens het hof door de erfgenamen/vereffenaars tezamen hebben moeten worden ingesteld. Dat lijkt eveneens een nogal theoretische benadering, nu partijen tot op het bot verdeeld zijn over wat er tot de nalatenschap behoort. In feite zouden [eiser] of [betrokkene 1] gedwongen worden, zo komt het mij voor, om op de voet van art. 4:203 lid 1 sub a BW de rechtbank te verzoeken een andere vereffenaar te benoemen. Dat is nogal omslachtig, gegeven het feit dat de enige schuldeiser van de nalatenschap [verweerder] is en de vereffenaar zonder rechterlijke tussenkomst geen boedelbeschrijving zal kunnen opstellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/55b9a951565bccdad6a6e5425f0ea30c131c572c97baeaf3eef65f495d2b8cc7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 55b9a951565bccdad6a6e5425f0ea30c131c572c97baeaf3eef65f495d2b8cc7, en de alinea staat in dat document op bytes 71219 tot 74544.