Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Onder 4.21 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:19.

Geklaagd wordt dat het hof een te beperkte toets heeft aangelegd door te oordelen dat de namen van de (oud-)medewerkers van Rabobank niet nodeloos worden genoemd. Volgens de klacht moet op grond van art. 8 EVRM worden onderzocht of het noemen van namen een legitiem doel dient en tevens noodzakelijk en proportioneel is. Door dit onderzoek na te laten gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting (sub IV.2). Voor zover niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting is sprake van een onbegrijpelijke beslissing. Van enige noodzaak om de namen te vermelden is geen sprake en volstaan had kunnen worden met fictieve namen zonder dat afbreuk was gedaan aan de effectiviteit van de verteltechniek. Dat blijkt ook uit het feit dat na het verbod van de voorzieningenrechter een tweede druk van het boek is verschenen, zónder vermelding van de namen van de (oud-)medewerkers (sub IV.3). In het onderdeel wordt erop gewezen dat de betreffende (oud-)medewerkers geen publieke rol vervullen, geen leidinggevenden van de bank zijn en geen bijzondere bekendheid genieten, zodat het verhaal bij gebruikmaking van fictieve namen niets aan geloofwaardigheid inboet en op geen enkele manier een beperking inhoudt met betrekking tot de verteltechniek (sub IV.4).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26, en de alinea staat in dat document op bytes 67557 tot 68827.