Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Onder 4.22 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:19.

Dit onderdeel vormt de kern van het cassatiemiddel. Hier draait het om voor Rabobank: waarom is het nodig om in een boek over gestelde misstanden bij een bank, individuele medewerkers die normaal gesproken in de anonimiteit van de bank opereren, met naam en toenaam te noemen? De namen van de medewerkers hadden evengoed níet kunnen worden genoemd of worden vervangen door fictieve namen. Als het nu zou gaan om een topman of commissaris van Rabobank, maar het gaat hier om gewone bankmedewerkers van lokale bankkantoren. Wordt hiermee niet de deur open gezet voor een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van individuele werknemers, die toevallig bij een bedrijf of instelling werken waar zij in het kader van hun werkzaamheden voor derden onwelgevallige activiteiten moeten uitvoeren? Geeft het hof een vrijbrief aan het publiekelijk aan de schandpaal nagelen van individuele werknemers die geen enkele publieke rol spelen, zoals Rabobank stelt? Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat Rabobank hier een punt heeft en dat sprake is van een nodeloze inbreuk op de privacy van de betrokkenen. Toch meen ik, bij nadere beschouwing, dat de benadering van Rabobank niet juist is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26, en de alinea staat in dat document op bytes 68927 tot 70143.