Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Onder 4.23 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:19.
Zoals hiervoor onder punt 3.9-3.11 uiteen is gezet, moeten bij de afweging tussen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van art. 8 EVRM en de vrijheid van meningsuiting van art. 10 EVRM alle relevante omstandigheden worden betrokken. Deze afweging dient in één keer plaats te vinden. Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden van het geval, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM, dan wel van art. 8 lid 2 EVRM. Het hof heeft in rov. 3.3 deze maatstaf aangelegd en vervolgens in rov. 5.1 t/m 5.9 alle terzake dienende omstandigheden gewogen. Op grond daarvan is het hof in de laatste zin van rov. 5.9 tot de slotsom gekomen dat het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder dient te wegen dan het recht op goede naam/eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de (oud-)medewerkers van Rabobank. Het hof heeft daarmee een juiste toets aangelegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26, en de alinea staat in dat document op bytes 70207 tot 71263.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/beda6021f66af25ca478ec19aa66f8744c8fb46ac25d64598a25149881f7fd26 | shasum -a 256