Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:193.

Om een indicatie te krijgen wanneer men wel of niet de met de verplaatsing belaste persoon kan zijn, zijn r.o. 4.3.3 tot en met 4.3.13 zeer lezenswaardig. Het is zeker niet uitputtend. Ongetwijfeld zullen adviseurs aan de hand van deze ‘lijst’ in een komende zaak bepleiten dat een door de ontvanger aan te spreken persoon niet als zodanig kwalificeert. Alle omstandigheden spelen echter een rol om te beoordelen of een dergelijke kwalificatie aanwezig is. De wet spreekt slechts van ‘ieder van de met de verplaatsing belaste persoon’. En deze hoeft, gelet op de tekst, in ieder geval niet alle acties van de verplaatsing zelf te verrichten, c.q. te doen verrichten. Een duidelijke rol-en-taakverdeling overeenkomen, maar daarnaar ook handelen, kan mogelijk voorkomen dat er ‘te veel’ aansprakelijken zijn. Men moet hierbij in het achterhoofd houden dat het hier in feite gaat om een bepaalde vorm van misbruikwetgeving; daarbij moet men er zich ook rekenschap van geven dat het niet betalen van belastingen niet geaccepteerd wordt. Tijdige communicatie met de fiscus (preventief) is hier wellicht een mogelijkheid om de toepassing van dit artikel niet effectief te doen zijn: immers de bestuurdersaansprakelijkheid van art. 36 IW 1990 (dat artikel geldt niet voor de vennootschaps- en dividendbelasting) geldt hier niet. Een feitelijke tijdige melding dat er niet betaald kan worden, bijvoorbeeld voordat enige actie met betrekking tot een verplaatsing wordt opgestart, c.q. overwogen, kan een beroep op een mogelijk geslaagde disculpatie (art. 41, lid 2) vergroten. Maar als de constructiewerkplaats voor het verplaatsen al in bedrijf is, lijkt dit een gelopen race. Kern van de aansprakelijkheid is dan het antwoord op de vraag op welk tijdstip er een verplaatsing van het lichaam naar het buitenland is. Twee elementen: het tijdstip van de verplaatsing en het antwoord of er al dan niet een verplaatsing is. Het hof komt tot het oordeel dat de verplaatsing niet eerder dan 24 december 2002 heeft plaatsgevonden (r.o. 4.2.4). R.o. 4 van de rechtbank geeft hiervoor een meer gedetailleerd overzicht. Vervolgens komt de disculpatievraag aan de orde. In r.o. 4.5.11 tot en met 4.5.27 behandelt het hof deze vraag uitvoerig. Belanghebbende heeft daarbij de volledige bewijslast. Hij moet zijn stellingen aannemelijk maken. Het betreft daarbij alleen zijn eigen daden en nalatigheden. Als hij maatregelen had moeten nemen, doch dit heeft nagelaten, komt dit voor zijn rekening. Het gaat om datgene wat hem valt toe te rekenen (zie ook HR 25 maart 2016, nr. 15/02764, NTFR 2016/1035) . De disculpatie slaagt niet. De overige grieven doet het hof naar mijn oordeel op de juiste wijze af. Op de vraag of de toepassing van art. 41 IW 1990 (in het onderhavige geval) strijdig is met art. 1 EP bij het EVRM krijgt belanghebbende ook nul op het rekest. Er is bovendien geen sprake van discriminatie: iedereen die belast is met de verplaatsing is aansprakelijk. Het maakt niet uit waar men woont (binnen- of buitenland).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e998323ce758375ad99184d54e6ba4b598f680abfed1aa092173500a8dfd5ee5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e998323ce758375ad99184d54e6ba4b598f680abfed1aa092173500a8dfd5ee5, en de alinea staat in dat document op bytes 77348 tot 80446.