Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017

Onder 4.4.3. Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:201.

Artikel 3:120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet houdt in dat de in die bepaling bedoelde kosten in een voldoende rechtstreeks verband tot de eigenwoningschuld dienen te staan. Aan dat vereiste is naar ’s Hofs oordeel met betrekking tot de IRS-kosten niet voldaan, omdat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – tussen de eigenwoningschuld en de IRS niet een zodanige samenhang bestaat dat zij als één geheel zouden moeten worden beschouwd. Het Hof stelt in dit verband voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt om de gestelde samenhang aannemelijk te maken, nu de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat uit de tot de gedingstukken behorende overeenkomsten en uit de daarop betrekking hebbende stukken uit 2008 en 2009 zou volgen dat de eigenwoningschuld en de IRS voor de toepassing van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet als één geheel zouden moeten worden beschouwd. Daar komt bij dat waar het gaat om overeenkomsten waarvan de financiële en fiscale gevolgen afhankelijk zijn van onzekere toekomstige factoren, redelijkerwijs van de belastingplichtige mag worden verwacht dat de samenhang waarop deze zich beroept van meet af aan voldoende duidelijk is vastgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77946313389321dd45f8e51850b2a2619ef2ac90f658cdb313e21e7c0fe1f02e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77946313389321dd45f8e51850b2a2619ef2ac90f658cdb313e21e7c0fe1f02e, en de alinea staat in dat document op bytes 62389 tot 63598.