Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017
Onder 6.2 Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:201.
13. De vraag of de betalingen vanwege samenhang met de eigenwoningschuld toch in aftrek kunnen worden gebracht, beoordeelt de rechtbank als volgt. Alhoewel geenszins valt uit te sluiten dat tevens een speculatief motief een rol heeft gespeeld, acht de rechtbank aannemelijk dat eisers hoofddoel met het afsluiten van het derivatencontract was het renterisico op de geldlening (deels) af te dekken. Desondanks staat het derivatencontract in een te ver verwijderd verband met de verwerving van de woning en van de eigenwoningschuld om de uit het contract voortvloeiende kosten als kosten van de eigenwoningschuld aan te merken. Zoals hiervoor is overwogen, worden deze overeenkomsten ook met particulieren uit overwegingen van belegging/speculatie gesloten. Behoudens de opmerking in de kredietovereenkomst dat de bank het recht heeft bij beëindiging van het krediet ook afgesloten derivatencontracten af te sluiten wordt noch in de kredietovereenkomst, noch in het derivatencontract een koppeling met het andere contract gelegd. Daarnaast blijkt uit de overgelegde kredietovereenkomst dat de bank niet verplicht was het derivatencontract aan te gaan. Ook heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het aangaan van het derivatencontract noodzakelijk was voor het verkrijgen van de financiering van de woning. De looptijd en de hoofdsom van het derivatencontract wijken af van de looptijd en de hoofdsom van de (onderdelen van) de eigenwoningschuld. Ten slotte blijkt uit de stukken dat in de jaren 2010/2011 in verband met nieuwbouw van een eigen woning en van een bedrijfspand de schuld aan de bank is toegenomen, maar dat dit geen wijziging heeft aangebracht in het derivatencontract. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat het derivatencontract in zodanige mate samenhangt met de eigenwoningschuld, dat het contract en de schuld in onderlinge samenhang in aanmerking moeten worden genomen. De omstandigheid dat de rechten en verplichtingen uit het derivatencontract deels (25%) tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend, doet hier niet aan af omdat voor de etikettering van ondernemingsvermogen andere (ruimere) regels gelden. Het derivatencontract behoort (althans voor 75%) tot het vermogen waarmee inkomen uit sparen en beleggen kan worden genoten. De op grond van het derivatencontract betaalde kosten kunnen daarom niet als aftrekbare kosten in de zin van artikel 3:120 van de Wet IB 2001 worden aangemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77946313389321dd45f8e51850b2a2619ef2ac90f658cdb313e21e7c0fe1f02e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77946313389321dd45f8e51850b2a2619ef2ac90f658cdb313e21e7c0fe1f02e, en de alinea staat in dat document op bytes 51515 tot 54019.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/77946313389321dd45f8e51850b2a2619ef2ac90f658cdb313e21e7c0fe1f02e | shasum -a 256