Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2017
Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:22.
De bij 3.8.1-3.8.2 bedoelde vraag behoeft mijns inziens geen beantwoording. Het hof is er vanuit gegaan dat FBS de procedure heeft voortgezet in het belang van de pandhouder en is daarmee impliciet uitgegaan van het bestaan van diens in art. 3:246 lid 4 BW bedoelde toestemming, welke volgens FBS van de zijde van de pandhouder(s) aanwezig was. Hetgeen FBS daartoe heeft aangevoerd heeft het hof kennelijk voldoende geacht, ook in het licht van de betwisting door Vano. Dat oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk te noemen. Het is goed voorstelbaar dat een pandhouder als FGH in een complex geval als het onderhavige de pandgever de kastanjes uit het vuur laat halen en er geen brood in ziet om dat zelf te gaan doen door zich in de procedure te mengen (in welk geval hij toch op de pandgever zou moeten terugvallen voor allerlei feitelijke informatie). Dat intussen mededeling van de verpanding wordt gedaan, maakt dat niet noodzakelijkerwijs anders. De subonderdelen 2.a en 2.b kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/99ff12a63fee37f6d53b5b0372c8b1d871ff2bf837f2adf0edb8a8c1d126ca3b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 99ff12a63fee37f6d53b5b0372c8b1d871ff2bf837f2adf0edb8a8c1d126ca3b, en de alinea staat in dat document op bytes 49359 tot 50566.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/99ff12a63fee37f6d53b5b0372c8b1d871ff2bf837f2adf0edb8a8c1d126ca3b | shasum -a 256