Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2017

Onder 2.13. Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:225.

Een faillietverklaring dient aan drie voorwaarden te voldoen, te weten: pluraliteit van schuldeisers, minimaal één opeisbare vordering en een vorderingsrecht van de aanvrager(s). Voor alle drie de voorwaarden heeft te gelden dat het ‘een noodzakelijke, maar niet voldoende’ voorwaarde is voor faillietverklaring; zodra vaststaat dat aan alle drie de voorwaarden is voldaan, moet de rechter nog – summierlijk – nagaan of dat inderdaad de toestand oplevert van te hebben opgehouden te betalen. Het oordeel over het al dan niet bestaan van een toestand van te hebben opgehouden te betalen ex art. 1 jo. art. 6 lid 3 Fw, is feitelijk van aard en kan cassatie dan ook slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De rechter heeft een grote vrijheid ten aanzien van de – summierlijke – vraag welke feiten of omstandigheden het al dan niet aannemen van die toestand rechtvaardigen. Het hof heeft in rov. 3.12 en 3.13 onderzocht of aan deze voorwaarden is voldaan en die vraag bevestigend beantwoord. Dat het hof ten aanzien van de Tante Pietje-vordering niet zou hebben vastgesteld, dat [eiseres] in een toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen, is niet juist. Het hof overweegt in rov 3.13 dat van een dergelijke toestand sprake is. Deze overweging slaat uiteraard op de toestand als zodanig en heeft niet alleen betrekking op de belastingschuld. Het oordeel van het hof op dit punt is dan ook niet onvoldoende gemotiveerd en evenmin onbegrijpelijk. Verder wordt aangevoerd dat het hof de gegrondheid van de Tante Pietje-vordering niet heeft kunnen vaststellen omdat de dossierstukken daartoe ontoereikend zouden zijn (verwezen wordt naar hetgeen daarover in hoger beroep in aangevoerd in het beroepschrift onder nrs. 83. en 160). Dit verweer slaagt niet. [eiseres] heeft de vordering uit hoofde van de levering van aandelen betreffende Hotel Tante Pietje B.V. in haar beroepschrift weliswaar betwist, maar het hof heeft uitvoerig toegelicht op grond waarvan het hof het bestaan van deze vordering summierlijk aannemelijk acht. Ik acht deze motivering niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend. Hetzelfde geldt voor hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de belastingschulden. Ook deze zijn door [eiseres] betwist. Het hof motiveert echter dat het enkele feit dat ten aanzien van de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen een bezwaarprocedure loopt onvoldoende afdoet aan de vaststelling dat sprake is van het summierlijk bestaan van deze vorderingen. Dat oordeel lijkt mij allerminst onjuist en ook niet onbegrijpelijk. [eiseres] heeft verder nog aangevoerd dat zij voornemens was om de belastingschulden te betalen maar dat zij daartoe niet in de gelegenheid was door de faillissementsaanvraag en de zeer snelle behandeling ervan ter zitting. Was de zitting uitgesteld of aangehouden, dan zou [eiseres] de aanslagen hebben betaald, zo wordt thans gesteld. Volgens [eiseres] was de faillissementsaanvraag door de curatoren zo getimed dat betaling aan de belasting teneinde het faillissement te voorkomen niet mogelijk was. Dit faalt eveneens. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat uit de stukken niet blijkt dat het verzoek van [eiseres] om de zitting bij de rechtbank uit te stellen (mede) zag op de mogelijkheid om de naheffingsaanslag alsnog te voldoen dan wel zekerheid te stellen. Dit blijkt immers noch uit het voorlopig verweerschrift noch in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank. In het aanvullend verzoekschrift wordt erop gewezen dat in hoger beroep is aangevoerd dat [eiseres] in staat was om de belastingschulden te betalen (beroepschrift onder 156 en 157). Ik stel echter vast dat het hof van die stelling kennis heeft genomen doch heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat [eiseres] daartoe in staat is (rov. 3.13). Ik acht dit oordeel, in samenhang met de vaststelling dat sprake was van een actief van € 858,95 ten opzichte van de vorderingen van de belastingdienst van meer dan € 800.000,-, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. De klaagt faalt dan ook. In het aanvullend verzoekschrift wordt nog aangevoerd dat Dekker q.q. niet zou hebben betwist dat [eiseres] in staat was om de belastingschuld te voldoen zodat het hof niet tot deze vaststelling had mogen komen. Dit is echter feitelijk onjuist. Tijdens de zitting bij het hof heeft mr. Te Biezebeek (medecurator in het faillissement [eiseres]) immers meegedeeld dat in de boedel geen actief is aangetroffen. Hierin kan een betwisting worden gelezen. Verder is door [eiseres] nog aangevoerd dat zij aan de Belastingdienst een zekerheidsstelling heeft aangeboden. Of dit juist is kan echter in het midden blijven aangezien een eventuele zekerheidsstelling aan het bestaan van de vordering niet afdoet, waarmee aan het beginsel van de pluraliteit van schuldeisers is voldaan. Ook de derde klacht is dus ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/798e1514b12b9c159d0bed4d8ae6f9a7b3593463ef38ca8c8321349d91bf76fe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 798e1514b12b9c159d0bed4d8ae6f9a7b3593463ef38ca8c8321349d91bf76fe, en de alinea staat in dat document op bytes 38285 tot 43370.