Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2017
Onder 3.37 Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:229.
Subonderdeel i.3.22 betoogt dat voor zover niet-toelating van de kunsthandelaren als getuigen in rov. 9 mede steunt op het argument dat zij niet kunnen verklaren over de overeenkomst tussen [verweerder] en [betrokkene 1] van 26 juni 2002, dat argument ondeugdelijk is. Dat lijkt mij niet. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat wat (mogelijk) gebruikelijk was in de branche niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden over de uitleg van deze specifieke overeenkomst. Dat is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en onbegrijpelijk is het niet. De klacht voert niet aan dat ( [verweerder] in zijn bewijsaanbod had aangegeven dat) de betreffende kunsthandelaren wél specifiek over de onderhavige overeenkomst zouden kunnen verklaren. In beide opzichten was het bewijsaanbod dus niet terzake dienend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/344c151fbc52d3a634af83c49f4bb07d50afab941449d5dac56da560a78a2ac2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 344c151fbc52d3a634af83c49f4bb07d50afab941449d5dac56da560a78a2ac2, en de alinea staat in dat document op bytes 99386 tot 100248.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/344c151fbc52d3a634af83c49f4bb07d50afab941449d5dac56da560a78a2ac2 | shasum -a 256