Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2017

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:233.

“Ten aanzien van stukken die het geding inleiden, zoals dagvaardingen, streeft het verdrag een bijzonder doel na. Het wil het belang van buitenlandse verweerders bij de mogelijkheid van het voeren van verweer in bescherming nemen. Dit doel tracht het verdrag te bereiken door de rechters van de verdragsstaten de toepassing van zijn artikelen 15 en 16 voor te schrijven. Hierdoor wordt binnen het werkingsgebied van het verdrag ingegrepen in het recht van de afzonderlijke verdragstaten op het terrein van de mededeling van voor het buitenland bestemde stukken, zij het langs indirecte weg en alleen indien en voor zover het verdrag dit voor het bereiken van genoemd doel noodzakelijk acht. In dit opzicht verschilt het verdrag principieel van de bovengenoemde regelingen van de Rechtsvorderingsverdragen van 1905 en 1954, die het recht van de afzonderlijke verdragstaten op genoemd terrein slechts hebben aangevuld met een systeem van rechtshulp. Art. 15 noodzaakt een verdragstaat een in zijn interne recht eventueel voorkomend stelsel voor de mededeling van voor het buitenland bestemde stukken, waarbij voor die mededeling althans rechtens kan worden volstaan met een in die verdragstaat zelf te verrichten handeling (fictieve mededeling), in de verhouding tot de andere verdragstaten wat betreft dagvaardingen e.d. te verlaten. In dit verband dient vooral te worden gedacht aan het onder meer in Nederland (men zie het reeds genoemde voorschrift van art. 4 sub 8 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) bekende stelsel van de betekening ten parkette voor de mededeling van stukken aan personen die binnenlands niet, doch in het buitenland wel bereikbaar zijn. Dit stelsel laat in de gevallen waarin het mede te delen stuk een dagvaarding inhoudt, het belang van de eiser, zo spoedig mogelijk zijn rechten geldend te kunnen maken, zwaarder wegen dan het belang van de verweerder, verweer te kunnen voeren. Daarom kan bij dat stelsel rechtens worden volstaan met een in het land van het geding zelf te verrichten fictieve mededeling van het stuk aan de verweerder. Wel moet het stuk na die betekening ter kennisgeving aan de verweerder naar het buitenland worden gezonden, maar of het ook werkelijk zijn rechten geldend te kunnen maken, zwaarder wegen dat het belang van de verweerder, verweer te mededeling door en op het tijdstip van de betekening ten parkette irrelevant ( zoals A-G Franx reeds opmerkte in zijn conclusie voor HR 30 december 1977, NJ 1978/576 m.nt. W.H.H is deze zin de drukkerij kennelijk niet ongeschonden gepasseerd ). Verschijnt de verweerder niet, en is de termijn van dagvaarding – die bij voorbeeld in Nederland op genoemd tijdstip begint te lopen – in acht genomen, dan is het voor de mogelijkheid van het verlenen van verstek tegen die verweerder onverschillig wat er na de betekening ten parkette met het stuk is gebeurd. De (ongecorrigeerde) toepassing van het stelsel van de betekening ten parkette vergroot dan ook de mogelijkheid, dat tegen een buitenlandse verweerder een geding aanhangig wordt gemaakt en gevoerd, en ook een (verstek-)vonnis wordt gewezen, zonder dat deze daarvan op de hoogte is of zelfs maar kan zijn. Hierop gelet wil artikel 15 ter bescherming van genoemd belang van buitenlandse verweerders, de mogelijkheid van fictieve mededeling in een verdragsstaat van voor verweerders in een andere verdragstaat bestemde dagvaardingen e.d. uitsluiten Immers, volgens dat artikel zal de rechter van een verdragstaat in een geval, als bedoeld in de aanhef van het eerste lid van dat artikel in het algemeen – namelijk behoudens het bepaalde in het laatste lid van het artikel – geen beslissing tegen de niet-verschenen verweerder mogen geven, indien en zolang niet is gebleken dat van het stuk, dat het geding inleidt voor de mogelijkheid van het voeren van verweer tijdig mededeling is gedaan door een in het buitenland verrichte handeling, als bedoeld in het eerste lid onder a of b, van het artikel of, wanneer door die verdragstaat de in het tweede lid van het artikel bedoelde verklaring is afgelegd, indien en zolang niet aan èlk van de in dat tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec62cb8f0310b4356b80719e5f840b4d7d3af67286b939d06f0b71805c2fbb29. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec62cb8f0310b4356b80719e5f840b4d7d3af67286b939d06f0b71805c2fbb29, en de alinea staat in dat document op bytes 39525 tot 43799.