Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2017
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:248.
Uit de uitspraak van de rechtbank is op te maken dat de tarievenstructuur in de onderhavige verordening is gebaseerd op een (naar de gemeente zelf aangeeft: uitgebreid geanalyseerd) resultaat van met de recessie verband houdende ontwikkelingen, waardoor het aantal grote bouwplannen fors is teruggelopen, terwijl de afname in de categorie kleine bouwplannen beperkter is gebleven. Het eerder bestaande systeem van kruissubsidiëring is gematigd, zodat de afhankelijkheid van een relatief klein aantal aanvragen in de hogere tariefklassen afneemt. Er is sprake van gewijzigde uitgangspunten zoals een betere kostenallocatie en het meer kostendekkend maken van de groepen van diensten. Uit de uitspraak van het hof is daarnaast op te maken dat het vaste bedrag aan leges per categorie bouwkosten (tariefklasse) door de gemeenteraad is gekozen om ervoor te zorgen dat op voorhand duidelijk zou zijn welk bedrag moest worden betaald en dat er minder discussie zou ontstaan over de opgelegde aanslagen dan in de situatie dat elke euro aan bouwkosten tevens zou resulteren in een hogere aanslag. Mij lijken de hiervoor beschreven argumenten voldoende basis voor de keuzes die door de gemeenteraad in de verordening zijn gemaakt. Weliswaar is er in sommige gevallen sprake van een verdubbeling van de leges bij het betreden van een nieuwe tariefklasse, maar dit onderscheid kan in lijn met het hiervoor vermelde arrest van 4 april 2014 worden gekwalificeerd als een objectief onderscheid dat van toepassing is op alle belastingplichtigen. Of naar het oordeel van het hof de leges op zichzelf beschouwd een te hoog bedrag in relatie tot de bouwkosten vormen, desgewenst te vertalen in een percentage, wordt uit de uitspraak niet duidelijk. De voorbeelden van het hof zien immers alleen op gevallen waarin op de cent nauwkeurig een nieuwe tariefklasse wordt betreden. Concreet wordt van belanghebbende in deze twee procedures tweemaal een bedrag van € 100.335 geheven. Als percentage van de bouwkosten blijkt dat terug te voeren tot 5,4 en 7,3%. Vooralsnog heeft de Hoge Raad op dit vlak slechts geoordeeld dat de heffing naar een vast, bescheiden percentage van 1,4% van de bouwkosten niet als onredelijke of willekeurige belastingheffing kan worden gekenschetst (zie het arrest van 14 augustus 2009, nr. 43.120, gepubliceerd in NTFR 2009/1883, met commentaar van Groenewegen ). Maar indien, zoals hier het geval is, het voldoen van de verordening aan de opbrengstlimiet tussen partijen niet in geding is en er dus op het niveau van de ramingen niet meer baten dan lasten zullen zijn, verwacht ik dat de uitkomst van een cassatieprocedure bij een percentage van 5,4 of 7,3% niet anders zou zijn. Uit mijn betoog mag overigens ook duidelijk zijn dat ik wel verwacht dat de Hoge Raad het oordeel van het hof zal casseren en het primaat zal leggen bij de expliciete afweging zoals deze door de gemeenteraad is gemaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af65c4515ea8406fbcd18bc9dcc7f60f65aab4f0ed74448eeb93257a74ee1198. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af65c4515ea8406fbcd18bc9dcc7f60f65aab4f0ed74448eeb93257a74ee1198, en de alinea staat in dat document op bytes 63646 tot 66634.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af65c4515ea8406fbcd18bc9dcc7f60f65aab4f0ed74448eeb93257a74ee1198 | shasum -a 256