Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Onder 3.55 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:286.

De vrouw heeft ter onderbouwing van het beroep op art. 1:100 BW in essentie aangevoerd dat een andere verdeling gezien het bestedingsgedrag van de man redelijk zou zijn. Die stelling kan, ook indien juist, niet het oordeel dragen dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich jegens de vrouw beroept op een verdeling bij helfte. Van een dergelijk uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als het huwelijk slechts kort heeft geduurd en nadien blijkt dat één van de echtelieden hoge schulden heeft en deze voor de ander verborgen had gehouden. De gestelde feiten kunnen niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat hier sprake is van een zodanige situatie: de gelden zijn tijdens het huwelijk door de man in het profvoetbal verdiend en ondanks zijn hoge uitgavenpatroon plukt de vrouw vruchten van deze verdiensten (zij het aanzienlijk minder dan het geval was geweest wanneer tijdens het huwelijk zuinig zou zijn geleefd). Het hof behoefde daarom, bij gebreke van een toereikende feitelijke grondslag, niet op het beroep van de vrouw op art. 1:100 BW te responderen. De klacht faalt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7443c67fa145584edfe4a34d87d8d9142bba7584d1ad8e7833df92189c22041b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7443c67fa145584edfe4a34d87d8d9142bba7584d1ad8e7833df92189c22041b, en de alinea staat in dat document op bytes 132364 tot 133658.