Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017
Onder 3.72 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:286.
In het subonderdeel van randnummer 2.4.3-III wordt verwezen naar de stelling van de vrouw dat de man naar haar overtuiging van de aanvang af onjuiste en onware stellingen met betrekking tot de bankrekeningen heeft ingenomen. Volgens de klacht had het hof op grond van art. 21 Rv (in verbinding met art. 6:2 en 3:166 BW) daaraan de consequenties dienen te verbinden die hem geraden voorkomen. De klacht faalt. Art. 21 Rv voorziet, zoals gezegd, in een discretionaire bevoegdheid voor de rechter. Het oordeel van het hof houdt in dat de man (door het overleggen van bankafschriften en het afgeven van de volmachten) aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Bij die stand van zaken was er voor het hof geen reden om toepassing te geven aan art. 21 Rv.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7443c67fa145584edfe4a34d87d8d9142bba7584d1ad8e7833df92189c22041b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7443c67fa145584edfe4a34d87d8d9142bba7584d1ad8e7833df92189c22041b, en de alinea staat in dat document op bytes 147126 tot 147931.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7443c67fa145584edfe4a34d87d8d9142bba7584d1ad8e7833df92189c22041b | shasum -a 256