Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Alinea 120 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:308.

23 Noot G.J. Schölten onder HR 1 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6642, NJ 1968/246, zoals geciteerd op p. 5 van de cassatiedagvaarding. Ik merk op dat slechts selectief geciteerd is, waardoor de context van het citaat ontbreekt. De geciteerde passage heeft betrekking op het oordeel van de Hoge Raad dat, in de woorden van Schölten, “de schijn van (voldoende vergaande) volmacht verwekkende gedragingen" niet noodzakelijk gedragingen van de achterman (waaronder de Hoge Raad in het arrest nadrukkelijk ook een niet-doen verstond) jegens de derde behoeven te zijn; het kunnen ook andere voor de derde kenbare gedragingen van de achterman zijn. Voorafgaand aan de in de cassatiedagvaarding opgenomen passage merkt Schölten - voor zover relevant voor het bepalen van de context van het citaat - het volgende op: “De HR vindt niet noodzakelijk dat de schijn van (voldoende vergaande) volmacht verwekkende gedragingen gedragingen zijn jegens de derde. Dat lijkt mij juist (...). De HR bezigt de term ‘voor Clijnk (de derde in casu; A-G) kenbare gedragingen’. Met minder zal men zeker geen genoegen kunnen nemen want (...) (wat volgt is geciteerd in de cassatiedagvaarding; A-G).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc, en de alinea staat in dat document op bytes 55993 tot 57188.