Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017
Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:308.
2.5 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het eerste vereiste (“verklaring of gedraging”) - het zogenaamde toedoenbeginsel - ruim dient te worden opgevat: de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan, afhankelijk van de (verdere) omstandigheden van het geval, ook door een niet-doen worden gewekt (24). ‘Toedoen’ omvat niet dus alleen actief handelen van de achterman, maar ook diens stilzitten (in situaties waarin ingrijpen wel in de rede had gelegen (25)). Voorbeelden uit de rechtspraak van de Hoge Raad van een dergelijk stilzitten dat in de omstandigheden van het desbetreffende geval aanleiding gaf voor toepassing van art. 3:61 lid 2 BW betreffen het “het laten (voortbestaan van een bepaalde situatie” (26), het nalaten van de achterman om wederpartij te informeren over de aan de volmacht verbonden beperkingen (27) en het nalaten van de achterman om onmiddellijk na ontvangst van een opdrachtbevestiging kenbaar te maken dat hij zich niet gebonden achtte (vanwege onbevoegdheid van de pseudo-vertegenwoordiger) (28).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc, en de alinea staat in dat document op bytes 25642 tot 26706.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc | shasum -a 256