Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:308.

De door onderdeel 1 geciteerde passage uit de noot van G.J. Schoften bij HR 1 maart 1968 (ECLI:NL:HR:1968:AB6642, NJ 1968/246) maakt het voorgaande evenmin anders. Het oordeel van het hof is mijns inziens verenigbaar met de ondergrens die Schoften, naar aanleiding van HR 1 maart 1968, in zijn noot trekt, te weten dat er (1) sprake dient te zijn van een doen of nalaten van de achterman en (2) dat dit doen of nalaten indien niet rechtstreeks tot de wederpartij gericht, kenbaar dient te zijn voor de wederpartij. In de onderhavige zaak was het ‘niet-doen’ van [eisers] niet rechtstreeks aan [verweerders] gericht, doch was voor [verweerders] kenbaar via de in de splitsingsakte van 23 juli 2012 opgenomen stemverhouding van 1:1:1, waardoor bij [verweerders] de schijn is gewekt dat de notaris over een toereikende volmacht beschikte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bdbec7285bb29ca6608bcad4ffc5aa1593085b52ea7fc9ac476ab11d737bddc, en de alinea staat in dat document op bytes 33972 tot 34824.