Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017

Onder 3.9. Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:324.

Uit deze antwoorden blijkt dat de regering op twee gedachten hinkte. Voorop werd gesteld dat de taakstraf niet langer in de plaats kwam van een vrijheidsstraf, maar een “geheel zelfstandige straf” is geworden. Wat met dit argument mogelijk bedoeld wilde zijn, is dat de verzelfstandiging van de taakstraf meebracht dat de vraag hoeveel uren taakstraf equivalent is aan een vrijheidsstraf van een bepaalde duur niet langer zinvol was. De vraag hoeveel euro’s geldboete gelijk staat aan een dag gevangenisstraf wordt ten slotte ook niet gesteld. De rechter kan in een concreet geval aarzelen tussen gevangenisstraf en geldboete, maar als hij uiteindelijk kiest voor de oplegging van een geldboete, gaat hij de gevangenisstraf die hij mogelijk zou hebben opgelegd, niet omrekenen naar een geldboete. Dat kan ook moeilijk. Bij het bepalen van de hoogte van de boete spelen namelijk andere factoren en overwegingen een rol (zoals de draagkracht van de verdachte) dan bij het bepalen van de hoogte van een vrijheidsstraf. De regering bracht voorts naar voren dat bij het bepalen van de vervangende hechtenis “een indicatie achteraf” wordt gegeven. Ook hier werd niet geëxpliciteerd wat daarmee gezegd wilde zijn. Mogelijk was bedoeld dat bij het op de voet van art. 22g (oud) Sr omzetten van een mislukte taakstraf in een vrijheidsstraf (waaraan de maatstaf van art. 22d lid 3 Sr was ontleend) andere overwegingen een rol spelen dan bij het vervangen van een vrijheidsstraf door een taakstraf. De discrepantie die de regering leek te zien tussen de op art. 22g (oud) Sr gebaseerde praktijk (vier maanden voor 240 uur) en de in art. 14g lid 2 (oud) Sr neergelegde maatstaf (240 uur in plaats van zes maanden) zou daarin haar verklaring kunnen vinden. Bij de toepassing van art. 14g lid 2 (oud) Sr had de wetgever niet van “een rekenlineaal” willen weten. Voor het ingeval van mislukking van de dienstverlening hanteren van een min of meer vaste maatstaf bij het bepalen van de duur van de dan onvermijdelijk geworden vrijheidsstraf bestonden misschien wel goede redenen. Dat gebeurde bij de vervangende hechtenis die in de plaats kwam van de geldboete tenslotte ook. Maar als gezegd, geëxpliciteerd werd deze gedachte niet, laat staan consequent uitgewerkt. In plaats daarvan probeerde de regering de discrepantie weg te redeneren. Daarmee gaf zij voedsel aan de gedachte dat twee uren taakstraf als het equivalent moet worden beschouwd van één dag vrijheidsstraf en dat de maatstaf van art. 22d lid 3 Sr om die reden ook richtinggevend is voor de omzetting van een vrijheidsstraf in een taakstraf op de voet van art. 14g lid 2 Sr.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e8ff2e24c55e3d71ff8b25cfd360ce64872556308a98d198c4e0279010718589. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e8ff2e24c55e3d71ff8b25cfd360ce64872556308a98d198c4e0279010718589, en de alinea staat in dat document op bytes 25368 tot 28026.